يُونُسَ

Soera Yunus, vers 83

Jonas · Mekkaans · 109 verzen

10:83

فَمَٓا اٰمَنَ لِمُوسٰٓى اِلَّا ذُرِّیَّةٌ مِنْ قَوْمِهٖ عَلٰى خَوْفٍ مِنْ فِرْعَوْنَ وَمَلَا𐻾ئِهِمْ اَنْ یَفْتِنَهُمْؕ وَاِنَّ فِرْعَوْنَ لَعَالٍ فِی الْاَرْضِۚ وَاِنَّهُ لَمِنَ الْمُسْرِفٖینَ

Fama amana limoosa illa thurriyyatun min qawmihi AAala khawfin min firAAawna wamalaihim an yaftinahum wainna firAAawna laAAalin fee alardi wainnahu lamina almusrifeena

Vertalingen

Toen gcloofde niemand Môesa, behalve (enkele) jongelingen van zijn volk, terwijl zij vreesden dat Fir'aun en zijn vooraanstaanden hen zouden vervolgen. En voorwaar, Fir'aun was zeker een onderdrukker in het land: en voorwaar, hij behoorde zeker tot de buitensporigen

Sofian S. Siregar

Moesa werd slechts door enige jongeren van zijn volk geloofd ondanks hun vrees voor Fir'aun en hun voornaamsten dat hij hen in verzoeking zou brengen. En Fir'aun had de overhand in het land en hij behoorde tot de onmatigen

Fred Leemhuis