النَّمْلِ

27. An-Naml

De Mieren · Mekkaans · 93 verzen · Juz 19, Pagina 377

طٰسٓࣞ تِلْكَ اٰیَاتُ الْقُرْاٰنِ وَكِتَابٍ مُبٖینٍۙ

Tha Sîn. Dit zijn de Verzen van de Koran en een duidelijk Boek

Siregar

هُدًى وَبُشْرٰى لِلْمُؤْمِنٖینَۙ

Als Leiding en een verheugende tijding voor de gelovigen

Siregar

اَلَّذٖینَ یُقٖیمُونَ الصَّلٰوةَ وَیُؤْتُونَ الزَّكٰوةَ وَهُمْ بِالْاٰخِرَةِ هُمْ یُوقِنُونَ

Degenen die de shalât verrichten en de zakât geven, en die overtuigd zijn van het Hiernamals

Siregar

اِنَّ الَّذٖینَ لَا یُؤْمِنُونَ بِالْاٰخِرَةِ زَیَّنَّا لَهُمْ اَعْمَالَهُمْ فَهُمْ یَعْمَهُونَؕ

Voorwaar, voor degenen die niet in het Hiernamaals geloven, doen Wij hun daden schoen toeschijnen, daarop verkeren zij rusteloos in hun dwaling

Siregar

اُو𐻾لٰٓئِكَ الَّذٖینَ لَهُمْ سُٓوءُ الْعَذَابِ وَهُمْ فِی الْاٰخِرَةِ هُمُ الْاَخْسَرُونَ

Zij zijn degenen voor wie er de slechte bestraffing is en in het Hiernamaals zijn zij de grootste verliezers

Siregar

وَاِنَّكَ لَتُلَقَّى الْقُرْاٰنَ مِنْ لَدُنْ حَكٖیمٍ عَلٖیمٍ

En voorwaar, jij ontvangt de Koran van de Zijde van de Alwijze, de Alwetende

Siregar

اِذْ قَالَ مُوسٰى لِاَهْلِهٖٓ اِنّٖٓی اٰنَسْتُ نَارًاؕ سَاٰتٖیكُمْ مِنْهَا بِخَبَرٍ اَوْ اٰتٖیكُمْ بِشِهَابٍ قَبَسٍ لَعَلَّكُمْ تَصْطَلُونَ

(Gedenk) toen Môesa tot zijn familie zei: "Ik heb een vuur gezien. Ik zal jullie er snel over berichten, of ik breng jullie er een fakkel van, zodat jullie je kunnen verwarmen

Siregar

فَلَمَّا جَٓاءَهَا نُودِیَ اَنْ بُورِكَ مَنْ فِی النَّارِ وَمَنْ حَوْلَهَاؕ وَسُبْحَانَ اللّٰهِ رَبِّ الْعَالَمٖینَ

Maar toen hij er aankwam, werd bij geroepen: "Gezegend is hij (Môesa) die op de plaats van het vuur is en die er omheen zijn. En Heilig is Allah, de Heer der Werelden

Siregar

یَا مُوسٰٓى اِنَّهُٓ اَنَا اللّٰهُ الْعَزٖیزُ الْحَكٖیمُۙ

O Môesa, Ik ben het, Allah, de Almachtige, de Alwijze

Siregar

وَاَلْقِ عَصَاكَؕ فَلَمَّا رَاٰهَا تَهْتَزُّ كَاَنَّهَا جَٓانٌّ وَلّٰى مُدْبِرًا وَلَمْ یُعَقِّبْؕ یَا مُوسٰى لَا تَخَفْ اِنّٖی لَا یَخَافُ لَدَیَّ الْمُرْسَلُونَࣗ

Werp jouw staf neer." Maar toen hij deze zag, bewoog zij alsof het een slang was, toen keerde hij haastig omen keek niet om. (Allah zei:) "O Môesa, wees niet bang, want voorwaar, bij Mij zijn de Boodschappen niet bang

Siregar

اِلَّا مَنْ ظَلَمَ ثُمَّ بَدَّلَ حُسْنًا بَعْدَ سُٓوءٍ فَاِنّٖی غَفُورٌ رَحٖیمٌ

En wie onrecht pleegde en vervolgens een slechte daad voor een goede daad inruilde: dan ben Ik waarlijk Vergevensgezind, Meest Barmhartig

Siregar

وَاَدْخِلْ یَدَكَ فٖی جَیْبِكَ تَخْرُجْ بَیْضَٓاءَ مِنْ غَیْرِ سُٓوءٍ فٖی تِسْعِ اٰیَاتٍ اِلٰى فِرْعَوْنَ وَقَوْمِهٖؕ اِنَّهُمْ كَانُوا قَوْمًا فَاسِقٖینَ

(Allah zei tot Môesa:) "En stop jouw hand onder jouw kraag en deze schijnt wit, zonder ziek te zijn: als één van de negen wonderen tegen Fir'aun en zijn volk. Voorwaar, zij zijn een zwaw zondig volk

Siregar

فَلَمَّا جَٓاءَتْهُمْ اٰیَاتُنَا مُبْصِرَةً قَالُوا هٰذَا سِحْرٌ مُبٖینٌۚ

Toen Onze Tekenen ter verduidelijking tot hen kwamen, zeiden zij: "Dit is duidelijke tovenarij

Siregar

Over soera An-Naml

Nummer in de Koran
27
Naam in het Arabisch
النَّمْلِ
Betekenis
De Mieren
Geopenbaard in
Mekka
Volgorde van openbaring
48
Aantal verzen
93
Juz
19-20
Pagina’s in de Mushaf
377-385
0:00
0:00