تَبَارَكَ الَّذٖی بِیَدِهِ الْمُلْكُؗ وَهُوَ عَلٰى كُلِّ شَیْءٍ قَدٖیرٌۙ
Gezegend is Degene in Wiens Hand de heerschappij is. En Hij is Almachtig over alle zaken
Siregar
الْمُلْكِ
De Heerschappij · Mekkaans · 30 verzen · Juz 29, Pagina 562
تَبَارَكَ الَّذٖی بِیَدِهِ الْمُلْكُؗ وَهُوَ عَلٰى كُلِّ شَیْءٍ قَدٖیرٌۙ
Gezegend is Degene in Wiens Hand de heerschappij is. En Hij is Almachtig over alle zaken
Siregar
اَلَّذٖی خَلَقَ الْمَوْتَ وَالْحَیٰوةَ لِیَبْلُوَكُمْ اَیُّكُمْ اَحْسَنُ عَمَلًاؕ وَهُوَ الْعَزٖیزُ الْغَفُورُۙ
Degenen Die de dood en het leven heeft geschapen om jullie te beproeven, (en te tonen) wie van jullie de beste daden verricht. En Hij is de Almachtige, de Vergevensgezinde
Siregar
اَلَّذٖی خَلَقَ سَبْعَ سَمٰوَاتٍ طِبَاقًاؕ مَا تَرٰى فٖی خَلْقِ الرَّحْمٰنِ مِنْ تَفَاوُتٍؕ فَارْجِعِ الْبَصَرَۙ هَلْ تَرٰى مِنْ فُطُورٍ
Degene Die de hemel in lagen heeft geschapen. Jij ziet in de schepping van de Erbarmer geen onevenwichtigheid. Kijk dan nog een keer, zie jij een afwijking
Siregar
ثُمَّ ارْجِعِ الْبَصَرَ كَرَّتَیْنِ یَنْقَلِبْ اِلَیْكَ الْبَصَرُ خَاسِئًا وَهُوَ حَسٖیرٌ
Kijk dan nog eens twee maal, jij zult jouw ogen nederig neerslaan, terwijl zij vermoeid zijn
Siregar
وَلَقَدْ زَیَّنَّا السَّمَٓاءَ الدُّنْیَا بِمَصَابٖیحَ وَجَعَلْنَاهَا رُجُومًا لِلشَّیَاطٖینِ وَاَعْتَدْنَا لَهُمْ عَذَابَ السَّعٖیرِ
En voorzeker, Wij hebben de nabije hemel met lampen (sterren) gesierd en Wij maakten die om er de Satans mee te stenigen. En Wij hebben voor hen de bestraffing van Sa'îr (de Hel) bereid
Siregar
وَلِلَّذٖینَ كَفَرُوا بِرَبِّهِمْ عَذَابُ جَهَنَّمَؕ وَبِئْسَ الْمَصٖیرُ
En voor degenen die niet in hun Heer geloven, is er de bestraffing van de Hel. En dat is de slechtste plaats van bestemming
Siregar
اِذَٓا اُلْقُوا فٖیهَا سَمِعُوا لَهَا شَهٖیقًا وَهِیَ تَفُورُۙ
En wanneer zij daarin geworpen worden, dan horen zij een afschrikwekkend gebrul ervan, terwijl zij (de Hel) raast
Siregar
تَكَادُ تَمَیَّزُ مِنَ الْغَیْظِؕ كُلَّمَٓا اُلْقِیَ فٖیهَا فَوْجٌ سَاَلَهُمْ خَزَنَتُهَٓا اَلَمْ یَاْتِكُمْ نَذٖیرٌ
Haast barst zij van woede. Telkens wanneer een groep erin wordt geworpen, vragen de wakers ervan hen: "Is er geen waarschuwer tot jullie gekomen
Siregar
قَالُوا بَلٰى قَدْ جَٓاءَنَا نَذٖیرٌ فَكَذَّبْنَا وَقُلْنَا مَا نَزَّلَ اللّٰهُ مِنْ شَیْءٍۚ اِنْ اَنْتُمْ اِلَّا فٖی ضَلَالٍ كَبٖیرٍ
Zij zeggen: "Welzeker, er is waarlijk een waarschuwer tot ons gekomen, maar toen loochenden wij. En wij zeiden: "Allah heeft niets neergezonden, jullie verkeren slechts in grote dwaling
Siregar
وَقَالُوا لَوْ كُنَّا نَسْمَعُ اَوْ نَعْقِلُ مَا كُنَّا فٖٓی اَصْحَابِ السَّعٖیرِ
Zij zeiden: "Als wij (het) konden horen of begrijpen, dan zouden wij niet tot de bewoners van Sa'îr (de Hel) behoren
Siregar
فَاعْتَرَفُوا بِذَنْبِهِمْۚ فَسُحْقًا لِاَصْحَابِ السَّعٖیرِ
Zij bekennen dan hun zonden. Daarom, ten onder gaan de bewoners van Sa'îr (de Hel)
Siregar
اِنَّ الَّذٖینَ یَخْشَوْنَ رَبَّهُمْ بِالْغَیْبِ لَهُمْ مَغْفِرَةٌ وَاَجْرٌ كَبٖیرٌ
Voorwaar, voor degenen die hun Heer in het verborgene vrezen, voor hen is er vergeving en een grote beloning
Siregar