وَالْفَجْرِۙ
Bij de dageraad
Siregar
الْفَجْرِ
De Dageraad · Mekkaans · 30 verzen · Juz 30, Pagina 593
وَالْفَجْرِۙ
Bij de dageraad
Siregar
وَلَیَالٍ عَشْرٍۙ
Bij de tien nachten. (De eerste tien dagen en nachten van de maand Dzoelhiddjah)
Siregar
وَالشَّفْعِ وَالْوَتْرِۙ
Bij het even en het oneven
Siregar
وَالَّیْلِ اِذَا یَسْرِۚ
Bij de nacht wanneer hij voorbijgaat
Siregar
هَلْ فٖی ذٰلِكَ قَسَمٌ لِذٖی حِجْرٍؕ
Is daarin geen eed voor de bezitter van verstand
Siregar
اَلَمْ تَرَ كَیْفَ فَعَلَ رَبُّكَ بِعَادٍࣕۙ
Heb jij niet vernomen hoe jouw Heer de 'Âd heeft behandeld
Siregar
اِرَمَ ذَاتِ الْعِمَادِࣕۙ
Van de stad Iram met zijn zuilen
Siregar
اَلَّتٖی لَمْ یُخْلَقْ مِثْلُهَا فِی الْبِلَادِࣕۙ
Zoals nog nooit een stad is geschapen in de landen
Siregar
وَثَمُودَ الَّذٖینَ جَابُوا الصَّخْرَ بِالْوَادِࣕۙ
En de Tsamôed die de rotsen uithieuwen in de vallei
Siregar
وَفِرْعَوْنَ ذِی الْاَوْتَادِࣕۙ
En Fir'aun, de bezitter van de pinnen
Siregar
اَلَّذٖینَ طَغَوْا فِی الْبِلَادِࣕۙ
Degenen die overtraden in het land
Siregar
فَاَكْثَرُوا فٖیهَا الْفَسَادَࣕۙ
En daarin veelvuldig verderf zaaiden
Siregar
فَصَبَّ عَلَیْهِمْ رَبُّكَ سَوْطَ عَذَابٍࣕۙ
Toen deed jouw Heer de gesel van de bestraffing op hen neerdalen
Siregar
اِنَّ رَبَّكَ لَبِالْمِرْصَادِؕ
Voorwaar, jouw Heer is zeker waakzaam
Siregar