قٓࣞ وَالْقُرْاٰنِ الْمَجٖیدِۚ
Qaf, bij de edelmoedige Koran
Siregar
قۤ
Qaaf (de letter) · Mekkaans · 45 verzen · Juz 26, Pagina 518
قٓࣞ وَالْقُرْاٰنِ الْمَجٖیدِۚ
Qaf, bij de edelmoedige Koran
Siregar
بَلْ عَجِبُٓوا اَنْ جَٓاءَهُمْ مُنْذِرٌ مِنْهُمْ فَقَالَ الْكَافِرُونَ هٰذَا شَیْءٌ عَجٖیبٌ
Zij zijn zelfs verbaasd dat er uit hun midden een waarschuwer tot hen is gekomen, zodat de ongelovigen zeggen: "Dat is een verbazingwekkende zaak
Siregar
ءَاِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًاۚ ذٰلِكَ رَجْعٌ بَعٖیدٌ
Als wij gestorven zijn, en stof zijn geworden (worden wij dan weer opgewekt?) Dat is een onwaarschijnlijke terugkeer
Siregar
قَدْ عَلِمْنَا مَا تَنْقُصُ الْاَرْضُ مِنْهُمْۚ وَعِنْدَنَا كِتَابٌ حَفٖیظٌ
Waarlijk, Wij weten wat de aarde van hen zal wegnemen, en aan Onze Zijde is een Boek dat nauwkeurig bijgehouden wordt
Siregar
بَلْ كَذَّبُوا بِالْحَقِّ لَمَّا جَٓاءَهُمْ فَهُمْ فٖٓی اَمْرٍ مَرٖیجٍ
Zij loochenden zelfs de Waarheid toen die tot hen kwam, daarom nemen zij een verward standpunt in
Siregar
اَفَلَمْ یَنْظُرُٓوا اِلَى السَّمَٓاءِ فَوْقَهُمْ كَیْفَ بَنَیْنَاهَا وَزَیَّنَّاهَا وَمَا لَهَا مِنْ فُرُوجٍ
Kijken zij dan niet naar de hemel boven hen, hoe Wij die gebouwd hebben en hoe Wij die versierd hebben en hoe die geen enkele scheur heeft
Siregar
وَالْاَرْضَ مَدَدْنَاهَا وَاَلْقَیْنَا فٖیهَا رَوَاسِیَ وَاَنْبَتْنَا فٖیهَا مِنْ كُلِّ زَوْجٍ بَهٖیجٍۙ
En hoe Wij de aarde uitgespreid hebben en Wij daarop stevige bergen geplaatst hebben en Wij daarop allerlei mooie gewassen deden groeien
Siregar
تَبْصِرَةً وَذِكْرٰى لِكُلِّ عَبْدٍ مُنٖیبٍ
Als lering en herinnering voor iedere berouwvolle dienaar
Siregar
وَنَزَّلْنَا مِنَ السَّمَٓاءِ مَٓاءً مُبَارَكًا فَاَنْبَتْنَا بِهٖ جَنَّاتٍ وَحَبَّ الْحَصٖیدِۙ
En Wij hebben uit de hemel gezegend water neer doen dalen, waarna Wij daarmee tuinen deden groeien en graan van oogstbare gewassen
Siregar
وَالنَّخْلَ بَاسِقَاتٍ لَهَا طَلْعٌ نَضٖیدٌۙ
En rijzige dadelpalmen met boven elkaar gevoegde kolven
Siregar
رِزْقًا لِلْعِبَادِۙ وَاَحْیَیْنَا بِهٖ بَلْدَةً مَیْتًاؕ كَذٰلِكَ الْخُرُوجُ
Als een voorziening voor de dienaren. En Wij brengen daarmee (water) het dode land tot leven. Zo zal ook de Opwekking zijn
Siregar
كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوحٍ وَاَصْحَابُ الرَّسِّ وَثَمُودُۙ
Vóór hen loochende het volk van Nôeh, en de bewoners van Rass en de Tsamôed
Siregar
وَعَادٌ وَفِرْعَوْنُ وَاِخْوَانُ لُوطٍۙ
En de 'Ad, en Fir'aun en de broeders van Lôeth
Siregar
وَاَصْحَابُ الْاَیْكَةِ وَقَوْمُ تُبَّعٍؕ كُلٌّ كَذَّبَ الرُّسُلَ فَحَقَّ وَعٖیدِ
En de bewoners van Aikah en het volk van Toebba'. Allen loochenden de Boodschappers. Daarom was de bestraffing terecht
Siregar
اَفَعَیٖینَا بِالْخَلْقِ الْاَوَّلِؕ بَلْ هُمْ فٖی لَبْسٍ مِنْ خَلْقٍ جَدٖیدٍࣖ
Waren Wij dan niet in staat tot de eerste schepping? Zij verkeren beslist in twijfel over een nieuwe schepping
Siregar