اِذَا الشَّمْسُ كُوِّرَتْࣕۙ
Wanneer de zon opgerold wordt
Siregar
التَّكْو۪يرِ
Het Oprollen · Mekkaans · 29 verzen · Juz 30, Pagina 586
اِذَا الشَّمْسُ كُوِّرَتْࣕۙ
Wanneer de zon opgerold wordt
Siregar
وَاِذَا النُّجُومُ انْكَدَرَتْࣕۙ
En wanneer de sterren vallen
Siregar
وَاِذَا الْجِبَالُ سُیِّرَتْࣕۙ
En wanneer de bergen bewogen worden
Siregar
وَاِذَا الْعِشَارُ عُطِّلَتْࣕۙ
En wanneer de drachtige kamelen achtergelaten worden
Siregar
وَاِذَا الْوُحُوشُ حُشِرَتْࣕۙ
En wanneer de wilde dieren verzameld worden
Siregar
وَاِذَا الْبِحَارُ سُجِّرَتْࣕۙ
En wanneer de zeeën tot koken gebracht worden
Siregar
وَاِذَا النُّفُوسُ زُوِّجَتْࣕۙ
En wanneer de zielen verenigd worden
Siregar
وَاِذَا الْمَوْءُ𐻿دَةُ سُئِلَتْۙ
En wanneer het levend begraven meisje ondervraagd wordt
Siregar
بِاَیِّ ذَنْبٍ قُتِلَتْۚ
Voor welke zonde zij gedood werd
Siregar
وَاِذَا الصُّحُفُ نُشِرَتْࣕۙ
En wanneer de bladen opengeslagen worden
Siregar
وَاِذَا السَّمَٓاءُ كُشِطَتْࣕۙ
En wanneer de hemel afgestroopt wordt
Siregar
وَاِذَا الْجَحٖیمُ سُعِّرَتْࣕۙ
En wanneer Djahîm (de Hel) ontstoken wordt
Siregar
وَاِذَا الْجَنَّةُ اُزْلِفَتْࣕۙ
En wanneer het Paradijs nabij gebracht wordt
Siregar
عَلِمَتْ نَفْسٌ مَٓا اَحْضَرَتْؕ
Dan weet een ziel wat zij verricht heeft
Siregar
فَلَٓا اُقْسِمُ بِالْخُنَّسِۙ
Ik zweer bij de sterren
Siregar
اَلْجَوَارِ الْكُنَّسِۙ
De voortspoedenden, de ondergaanden
Siregar
وَالَّیْلِ اِذَا عَسْعَسَۙ
En bij de nacht wanneer hij opdoemt
Siregar
وَالصُّبْحِ اِذَا تَنَفَّسَۙ
En bij de dageraad wanneer hij gloort
Siregar
اِنَّهُ لَقَوْلُ رَسُولٍ كَرٖیمٍۙ
Voorwaar, het is zeker het woord van een edele Boodschapper
Siregar
ذٖی قُوَّةٍ عِنْدَ ذِی الْعَرْشِ مَكٖینٍۙ
Een bezitter van kracht die een ereplaats heeft bij de Bezitter van de Troon
Siregar