هُودٍ

Soera Hud, vers 27

Hoed (de Profeet) · Mekkaans · 123 verzen

11:27

فَقَالَ الْمَلَاُ الَّذٖینَ كَفَرُوا مِنْ قَوْمِهٖ مَا نَرٰیكَ اِلَّا بَشَرًا مِثْلَنَا وَمَا نَرٰیكَ اتَّبَعَكَ اِلَّا الَّذٖینَ هُمْ اَرَاذِلُنَا بَادِیَ الرَّاْیِۚ وَمَا نَرٰى لَكُمْ عَلَیْنَا مِنْ فَضْلٍ بَلْ نَظُنُّكُمْ كَاذِبٖینَ

Faqala almalao allatheena kafaroo min qawmihi ma naraka illa basharan mithlana wama naraka ittabaAAaka illa allatheena hum arathiluna badiya alrrayi wama nara lakum AAalayna min fadlin bal nathunnukum kathibeena

Vertalingen

En de vooraanstaanden van zijn volk, die ongelovig waren, zeiden: "Wij zien dat jij slechts een mens zoals wij bent. En wij zien dat niemand jou volgt, behalve degenen die de laagsten zijn onder ons, die simpel zijn. En wij zien dat jullie geen voordeel boven ons hebben. Wij zijn er zelfs van overtuigd dat jullie leugenaars zijn

Sofian S. Siregar

En de voornaamsten, zij die van zijn volk ongelovig waren, zeiden toen: "Wij zien dat jij slechts een mens bent zoals wij en wij zien dat jij alleen maar ondoordacht gevolgd wordt door de allerverachtelijksten onder ons. Wij zien niet dat jullie op ons iets voor hebben. Integendeel, wij vermoeden dat jullie leugenaars zijn

Fred Leemhuis