هُودٍ

Soera Hud, vers 38

Hoed (de Profeet) · Mekkaans · 123 verzen

11:38

وَیَصْنَعُ الْفُلْكَ وَكُلَّمَا مَرَّ عَلَیْهِ مَلَاٌ مِنْ قَوْمِهٖ سَخِرُوا مِنْهُؕ قَالَ اِنْ تَسْخَرُوا مِنَّا فَاِنَّا نَسْخَرُ مِنْكُمْ كَمَا تَسْخَرُونَؕ

WayasnaAAu alfulka wakullama marra AAalayhi malaon min qawmihi sakhiroo minhu qala in taskharoo minna fainna naskharu minkum kama taskharoona

Vertalingen

En hij bouwde het schip en telkens wanneer de vooraanstaanden van zijn volk voor bij kwamen, bespotten zij hem. Hij zei: "Als jullie ons bespotten: voorwaar, dan zullen wij jullie later bespotten, zoals jullie ons (nu) bespotten

Sofian S. Siregar

En hij bouwde het schip en telkens als er voornaamsten van zijn volk voorbijkwamen maakten zij hem belachelijk. Hij zei: "Jullie maken ons belachelijk, maar wij zullen jullie belachelijk maken, zoals jullie [ons nu] belachelijk maken

Fred Leemhuis