هُودٍ

Soera Hud, vers 62

Hoed (de Profeet) · Mekkaans · 123 verzen

11:62

قَالُوا یَا صَالِحُ قَدْ كُنْتَ فٖینَا مَرْجُوًّا قَبْلَ هٰذَٓا اَتَنْهٰینَٓا اَنْ نَعْبُدَ مَا یَعْبُدُ اٰبَٓاؤُ𐻾نَا وَاِنَّنَا لَفٖی شَكٍّ مِمَّا تَدْعُونَٓا اِلَیْهِ مُرٖیبٍ

Qaloo ya salihu qad kunta feena marjuwwan qabla hatha atanhana an naAAbuda ma yaAAbudu abaona wainnana lafee shakkin mimma tadAAoona ilayhi mureebun

Vertalingen

En zij (de Tsamôed) zeiden: "O Shâlih, hiervoor was jij temidden van ons iemand waarop wij onze hoop hadden gevestigd. Verbied jij ons dat wij aanbidden wat onze vaderen aanbaden? En wij verkeren in grote twijfel over hetgeen waartoe jij ons oproept

Sofian S. Siregar

Zij zeiden: "O Salih, jij was tot nu toe bij ons iemand van wie men iets kon verwachten. Zul jij ons verbieden te dienen wat onze vaderen dienden? Wij verkeren namelijk in hevige twijfel over dat waartoe jij ons oproept

Fred Leemhuis