الرَّعْدِ

Soera Ar-Ra'd, vers 14

De Donder · Mekkaans · 43 verzen

13:14

لَهُ دَعْوَةُ الْحَقِّؕ وَالَّذٖینَ یَدْعُونَ مِنْ دُونِهٖ لَا یَسْتَجٖیبُونَ لَهُمْ بِشَیْءٍ اِلَّا كَبَاسِطِ كَفَّیْهِ اِلَى الْمَٓاءِ لِیَبْلُغَ فَاهُ وَمَا هُوَ بِبَالِغِهٖؕ وَمَا دُعَٓاءُ الْكَافِرٖینَ اِلَّا فٖی ضَلَالٍ

Lahu daAAwatu alhaqqi waallatheena yadAAoona min doonihi la yastajeeboona lahum bishayin illa kabasiti kaffayhi ila almai liyablugha fahu wama huwa bibalighihi wama duAAao alkafireena illa fee dalalin

Vertalingen

Aan Hem is de ware smeekbede gericht, en degenen die zij naast Hem aanbidden verhoren hen in niets, behalve zoals bij degene zijn beide handen uitstrekt naar water om het naar zijn mond te brengen, maar het bereikt zijn mond niet. En de smeekbeden van de ongelovigen zijn nutteloos

Sofian S. Siregar

Tot Hem is het ware gebed en zij tot wie door hen in plaats van tot God wordt gebeden verhoren hen in niets; zij zijn slechts als iemand die zijn handen naar het water uitstrekt opdat het zijn mond bereikt, maar het bereikt hem niet. Het gebed van de ongelovigen mist steeds zijn doel

Fred Leemhuis