اِبْرٰه۪يمَ

Soera Ibrahim, vers 11

Abraham · Mekkaans · 52 verzen

14:11

قَالَتْ لَهُمْ رُسُلُهُمْ اِنْ نَحْنُ اِلَّا بَشَرٌ مِثْلُكُمْ وَلٰكِنَّ اللّٰهَ یَمُنُّ عَلٰى مَنْ یَشَٓاءُ مِنْ عِبَادِهٖؕ وَمَا كَانَ لَنَٓا اَنْ نَاْتِیَكُمْ بِسُلْطَانٍ اِلَّا بِاِذْنِ اللّٰهِؕ وَعَلَى اللّٰهِ فَلْیَتَوَكَّلِ الْمُؤْمِنُونَ

Qalat lahum rusuluhum in nahnu illa basharun mithlukum walakinna Allaha yamunnu AAala man yashao min AAibadihi wama kana lana an natiyakum bisultanin illa biithni Allahi waAAala Allahi falyatawakkali almuminoona

Vertalingen

Hun Boodschappers zeiden tot hen: "Wij zijn slechts mensen als jullie, maar Allah geeft Zijn gunsten aan wie Hij wil van Zijn dienaren. En het is niet aan ons om jullie een bewijs te brengen, tenzij met verlof van Allah. En laten de gelovigen daarom hun vertrouwen stellen op Allah

Sofian S. Siregar

Hun gezanten zeiden tot hen: "Wij zijn slechts mensen zoals jullie, maar God bewijst gunsten aan wie van Zijn dienaren Hij wil. En het komt ons niet toe jullie zonder Gods toestemming een machtiging te brengen. Op God moeten de gelovigen hun vertrouwen stellen

Fred Leemhuis