اِبْرٰه۪يمَ

Soera Ibrahim, vers 37

Abraham · Mekkaans · 52 verzen

14:37

رَبَّنَٓا اِنّٖٓی اَسْكَنْتُ مِنْ ذُرِّیَّتٖی بِوَادٍ غَیْرِ ذٖی زَرْعٍ عِنْدَ بَیْتِكَ الْمُحَرَّمِۙ رَبَّنَا لِیُقٖیمُوا الصَّلٰوةَ فَاجْعَلْ اَفْــِٔدَةً مِنَ النَّاسِ تَهْوٖٓی اِلَیْهِمْ وَارْزُقْهُمْ مِنَ الثَّمَرَاتِ لَعَلَّهُمْ یَشْكُرُونَ

Rabbana innee askantu min thurriyyatee biwadin ghayri thee zarAAin AAinda baytika almuharrami rabbana liyuqeemoo alssalata faijAAal afidatan mina alnnasi tahwee ilayhim waorzuqhum mina alththamarati laAAallahum yashkuroona

Vertalingen

Onze Heer! Voorwaar, ik heb mijn kinderen achtergelaten in een onbegroeide vallei bij Uw gewijde huis (de Ka'bah). Onze Heer! (ik tiet hen achter) zodat zij de shalât zullen onderhouden, laat daarom de harten van de mensen tot hen neigen, en voorzie hen van vruchten. Hopelijk zullen zij dankbaar zijn

Sofian S. Siregar

Onze Heer, ik heb enkelen van mijn nakomelingen in een vallei zonder gewas bij Uw heilige huis laten wonen, onze Heer, om de salaat te verrichten. Maak dan dat de harten van sommige mensen toeneiging tot hen krijgen en voorzie met vruchten in hun levensbehoeften; misschien zullen zij dank betuigen

Fred Leemhuis