الْاِسْرَاۤءِ

Soera Al-Isra, vers 59

De Nachtelijke Reis · Mekkaans · 111 verzen

17:59

وَمَا مَنَعَنَٓا اَنْ نُرْسِلَ بِالْاٰیَاتِ اِلَّٓا اَنْ كَذَّبَ بِهَا الْاَوَّلُونَؕ وَاٰتَیْنَا ثَمُودَ النَّاقَةَ مُبْصِرَةً فَظَلَمُوا بِهَاؕ وَمَا نُرْسِلُ بِالْاٰیَاتِ اِلَّا تَخْوٖیفًا

Wama manaAAana an nursila bialayati illa an kaththaba biha alawwaloona waatayna thamooda alnnaqata mubsiratan fathalamoo biha wama nursilu bialayati illa takhweefan

Vertalingen

En niets verhinderde Ons de Tekenen neer te zenden dan dat de voorafgaaden hen loochenden. En Wij gaven de Tsamôed de vrouwtjeskameel, als een duidelijk zichtbaar (Teken) maar zij behandelden haar onrechtvaardig. En Wij zenden de Tekenen alleen maar om (hen) te doen vrezen

Sofian S. Siregar

En niets verhinderde Ons de tekenen te zenden dan dat zij die er eertijds waren ze loochenden. En Wij gaven de Thamoed de kameelmerrie als iets duidelijk zichtbaars, maar zij behandelden haar onrechtvaardig. En Wij zenden slechts tekenen om vrees aan te jagen

Fred Leemhuis