الْبَقَرَةِ

Soera Al-Baqarah, vers 114

De Koe · Medinaans · 286 verzen

2:114

وَمَنْ اَظْلَمُ مِمَّنْ مَنَعَ مَسَاجِدَ اللّٰهِ اَنْ یُذْكَرَ فٖیهَا اسْمُهُ وَسَعٰى فٖی خَرَابِهَاؕ اُو𐻾لٰٓئِكَ مَا كَانَ لَهُمْ اَنْ یَدْخُلُوهَٓا اِلَّا خَٓائِفٖینَؕ لَهُمْ فِی الدُّنْیَا خِزْیٌ وَلَهُمْ فِی الْاٰخِرَةِ عَذَابٌ عَظٖیمٌ

Waman athlamu mimman manaAAa masajida Allahi an yuthkara feeha ismuhu wasaAAa fee kharabiha olaika ma kana lahum an yadkhulooha illa khaifeena lahum fee alddunya khizyun walahum fee alakhirati AAathabun AAatheemun

Vertalingen

En wie is er zondiger dan degene die verhindert dat in de Moskeeen van Allah Zijn Naam genoemd wordt en die zich beijvert om deze te verwoesten? Zij behoren deze niet binnen te gaan, behalve als vrezenden. Voor hen is er op de wereld een vernedering en in het Hiernamaals is er een geweldige bestraffing

Sofian S. Siregar

En wie zijn er zondiger dan zij die verhinderen dat in de bedehuizen Gods naam wordt vermeld en die proberen ze te verwoesten. Hun betaamde het slechts er bang binnen te gaan. Voor hen is er in het tegenwoordige leven schande en in het hiernamaals een geweldige bestraffing

Fred Leemhuis