النُّورِ

Soera An-Nur, vers 40

Het Licht · Medinaans · 64 verzen

24:40

اَوْ كَظُلُمَاتٍ فٖی بَحْرٍ لُجِّیٍّ یَغْشٰیهُ مَوْجٌ مِنْ فَوْقِهٖ مَوْجٌ مِنْ فَوْقِهٖ سَحَابٌؕ ظُلُمَاتٌ بَعْضُهَا فَوْقَ بَعْضٍؕ اِذَٓا اَخْرَجَ یَدَهُ لَمْ یَكَدْ یَرٰیهَاؕ وَمَنْ لَمْ یَجْعَلِ اللّٰهُ لَهُ نُورًا فَمَا لَهُ مِنْ نُورٍࣖ

Aw kathulumatin fee bahrin lujjiyyin yaghshahu mawjun min fawqihi mawjun min fawqihi sahabun thulumatun baAAduha fawqa baAAdin itha akhraja yadahu lam yakad yaraha waman lam yajAAali Allahu lahu nooran fama lahu min noorin

Vertalingen

Of (de toestand van de ongelovige is) als de donkerten in de diepe zee, bedekt door golf op golf, waarop wolken zijn. donkerten bovenop elkaar. Wanneer iemand zijn hand uitstrekt kan hij die bijna niet zien. En aan wie Allah geen licht geeft: voor hem is er gew licht

Sofian S. Siregar

Of [ze zijn] als duisternissen op een diepe zee die door golven bedekt wordt met nog golven erboven waarboven wolken zijn: duisternissen boven elkaar. Wanneer hij zijn hand uitsteekt kan hij hem bijna niet zien. En aan wie God geen licht geeft, voor hem is er geen licht

Fred Leemhuis