النَّمْلِ

Soera An-Naml, vers 24

De Mieren · Mekkaans · 93 verzen

27:24

وَجَدْتُهَا وَقَوْمَهَا یَسْجُدُونَ لِلشَّمْسِ مِنْ دُونِ اللّٰهِ وَزَیَّنَ لَهُمُ الشَّیْطَانُ اَعْمَالَهُمْ فَصَدَّهُمْ عَنِ السَّبٖیلِ فَهُمْ لَا یَهْتَدُونَۙ

Wajadtuha waqawmaha yasjudoona lilshshamsi min dooni Allahi wazayyana lahumu alshshaytanu aAAmalahum fasaddahum AAani alssabeeli fahum la yahtadoona

Vertalingen

Ik heb gezien dat zij en haar volk knielen voor de zon, naast Allah. En dat de Satan hun hun daden schoon doet toeschijnen en hen daarmee afleidt van de Weg. Zij volgen dus geen Leiding

Sofian S. Siregar

Ik heb gemerkt dat zij en haar volk zich eerbiedig voor de zon neerbuigen in plaats van voor God, dat de satan hun daden voor hen mooi heeft laten lijken en hun de weg versperd heeft; zij volgen dus het goede pad niet

Fred Leemhuis