وَاِذْ یَرْفَعُ اِبْرٰهٖیمُ الْقَوَاعِدَ مِنَ الْبَیْتِ وَاِسْمٰعٖیلُؕ رَبَّنَا تَقَبَّلْ مِنَّاؕ اِنَّكَ اَنْتَ السَّمٖیعُ الْعَلٖیمُ
En (gedenkt) toen Ibrâhîm de grondvesten van het Huis legde, samen met Isma'îl (biddend): "Onze Heer, aanvaard het van ons: voorwar, U bent de Alhorende, de Alwetende
Siregar