اٰلِ عِمْرٰنَ

Soera Ali 'Imran, vers 164

De Familie van Imraan · Medinaans · 200 verzen

3:164

لَقَدْ مَنَّ اللّٰهُ عَلَى الْمُؤْمِنٖینَ اِذْ بَعَثَ فٖیهِمْ رَسُولًا مِنْ اَنْفُسِهِمْ یَتْلُوا عَلَیْهِمْ اٰیَاتِهٖ وَیُزَكّٖیهِمْ وَیُعَلِّمُهُمُ الْكِتَابَ وَالْحِكْمَةَۚ وَاِنْ كَانُوا مِنْ قَبْلُ لَفٖی ضَلَالٍ مُبٖینٍ

Laqad manna Allahu AAala almumineena ith baAAatha feehim rasoolan min anfusihim yatloo AAalayhim ayatihi wayuzakkeehim wayuAAallimuhumu alkitaba waalhikmata wain kanoo min qablu lafee dalalin mubeenin

Vertalingen

Voorzeker, Allah gaf een grote gunst aan de gelovigen, toen Hij tot hen een Boodschapper uit hun midden stuurde. Hij draagt hun Zijn Verzen voor. En hij reinigt hen (de gelovigen) on hij onderwijst hun het Boek (de Koran) en de Wijsheid, terwijl zij daarvoor zeker in duidelijke dwaling verkeerden

Sofian S. Siregar

God heeft de gelovigen een gunst bewezen toen Hij bij hen een gezant uit hun midden liet opstaan, die hun Zijn tekenen voorleest, hen loutert en hun het boek en de wijsheid onderwijst, ook al verkeerden zij vroeger in duidelijke dwaling

Fred Leemhuis