اٰلِ عِمْرٰنَ

Soera Ali 'Imran, vers 36

De Familie van Imraan · Medinaans · 200 verzen

3:36

فَلَمَّا وَضَعَتْهَا قَالَتْ رَبِّ اِنّٖی وَضَعْتُهَٓا اُنْثٰىؕ وَاللّٰهُ اَعْلَمُ بِمَا وَضَعَتْؕ وَلَیْسَ الذَّكَرُ كَالْاُنْثٰىۚ وَاِنّٖی سَمَّیْتُهَا مَرْیَمَ وَاِنّٖٓی اُعٖیذُهَا بِكَ وَذُرِّیَّتَهَا مِنَ الشَّیْطَانِ الرَّجٖیمِ

Falamma wadaAAatha qalat rabbi innee wadaAAtuha ontha waAllahu aAAlamu bima wadaAAat walaysa alththakaru kaalontha wainnee sammaytuha maryama wainnee oAAeethuha bika wathurriyyataha mina alshshaytani alrrajeemi

Vertalingen

En toen zij haar gebaard had, zei zij: "Mijn Heer, ik heb haar gebaard, (het is) een meisje," - en Allah wist het best wat zij gebaard had - "en het mannelijke is niet als het vrouwelijke. En voorwaar, ik heb haar Maryam genoemd, en ik smeek U haar en haar nakomelingen te bescherment tegen de vervloekte Satan

Sofian S. Siregar

Toen zij haar gebaard had, zei zij: "Mijn Heer, ik heb een meisje gebaard." -- God wist het best wat zij gebaard had; het mannelijke is niet als het vrouwelijke -- "Ik heb haar Marjam genoemd en ik bid U haar en haar nageslacht te beschermen tegen de vervloekte satan

Fred Leemhuis