النِّسَاءِ

Soera An-Nisa, vers 18

De Vrouwen · Medinaans · 176 verzen

4:18

وَلَیْسَتِ التَّوْبَةُ لِلَّذٖینَ یَعْمَلُونَ السَّیِّـَٔاتِۚ حَتّٰٓى اِذَا حَضَرَ اَحَدَهُمُ الْمَوْتُ قَالَ اِنّٖی تُبْتُ الْـٰٔنَ وَلَا الَّذٖینَ یَمُوتُونَ وَهُمْ كُفَّارٌؕ اُو𐻾لٰٓئِكَ اَعْتَدْنَا لَهُمْ عَذَابًا اَلٖیمًا

Walaysati alttawbatu lillatheena yaAAmaloona alssayyiati hatta itha hadara ahadahumu almawtu qala innee tubtu alana wala allatheena yamootoona wahum kuffarun olaika aAAtadna lahum AAathaban aleeman

Vertalingen

En er is geen (aanvaaring van het) berouw voor degenen die het slechte bedrijven totdat een van hen de dood nabij is, (en dan) zegt: "Voorwaar, nu heb ik berouw." En ook niet voor degenen die ongelovig sterven. Zij zijn degenen voor wie Wij een pijnlijke bestraffing voorbereid hebben

Sofian S. Siregar

Maar de genadevolle aandacht geldt niet voor hen die verkeerde dingen blijven doen totdat een van hen, als de dood nabij is, zegt: "Nu heb ik berouw" en ook niet voor hen die als ongelovigen sterven. Zij zijn het voor wie Wij een pijnlijke bestraffing hebben klaargemaakt

Fred Leemhuis