40. Ghafir

الْمُؤْمِنِ

اَلْیَوْمَ تُجْزٰى كُلُّ نَفْسٍ بِمَا كَسَبَتْؕ لَا ظُلْمَ الْیَوْمَؕ اِنَّ اللّٰهَ سَرٖیعُ الْحِسَابِ

Op die Dag zal iedere ziel vergolden worden voor wat zij heeft verricht. Op die Dag is er geen onrecht. Voorwaar, Allah is snel in de afrekening

Siregar

وَاَنْذِرْهُمْ یَوْمَ الْاٰزِفَةِ اِذِ الْقُلُوبُ لَدَى الْحَنَاجِرِ كَاظِمٖینَؕ مَا لِلظَّالِمٖینَ مِنْ حَمٖیمٍ وَلَا شَفٖیعٍ یُطَاعُؕ

Waarschuw hen (O Moehammad) voor de Dag der Opstanding waarop de harten treurig in de kelen blijven steken. Voor de onrechtvaardigen is er geen boezemvriend en geen voorspreker die wordt gehoord

Siregar

یَعْلَمُ خَٓائِنَةَ الْاَعْیُنِ وَمَا تُخْفِی الصُّدُورُ

Hij (Allah) kent het verraad van de ogen en wat de harten verbergen

Siregar

وَاللّٰهُ یَقْضٖی بِالْحَقِّؕ وَالَّذٖینَ یَدْعُونَ مِنْ دُونِهٖ لَا یَقْضُونَ بِشَیْءٍؕ اِنَّ اللّٰهَ هُوَ السَّمٖیعُ الْبَصٖیرُࣖ

En Allah oordeelt volgens de Waarheid, en degenen die zij naast Hem (deelgenoten) aanroepen oordelen nergens over: voorwaar, Allah is Alhorend, Alziend

Siregar

اَوَلَمْ یَسٖیرُوا فِی الْاَرْضِ فَیَنْظُرُوا كَیْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الَّذٖینَ كَانُوا مِنْ قَبْلِهِمْؕ كَانُوا هُمْ اَشَدَّ مِنْهُمْ قُوَّةً وَاٰثَارًا فِی الْاَرْضِ فَاَخَذَهُمُ اللّٰهُ بِذُنُوبِهِمْ وَمَا كَانَ لَهُمْ مِنَ اللّٰهِ مِنْ وَاقٍ

Reizen zij niet op de aarde zodat zij zien hoe het einde was van degenen vóór hen? Zij overtroffen hen in macht en in gebouwen op de aarde. Maar Allah greep hen wegens hun zonden en er was voor hen geen beschermer tegen Allah

Siregar

ذٰلِكَ بِاَنَّهُمْ كَانَتْ تَاْتٖیهِمْ رُسُلُهُمْ بِالْبَیِّنَاتِ فَكَفَرُوا فَاَخَذَهُمُ اللّٰهُؕ اِنَّهُ قَوِیٌّ شَدٖیدُ الْعِقَابِ

Dat was omdat hun Boodschappers tot hen waren gekomen met de duidelijke bewijzen, maar zij waren ongelovigen, waarop Allah hen greep. Voorwaar, Hij is Sterk, hard in de bestraffing

Siregar

وَلَقَدْ اَرْسَلْنَا مُوسٰى بِاٰیَاتِنَا وَسُلْطَانٍ مُبٖینٍۙ

En voorzeker, Wij hebben Môesa met Onze Tekenen en met een duidelijk bewijs gezonden

Siregar

اِلٰى فِرْعَوْنَ وَهَامَانَ وَقَارُونَ فَقَالُوا سَاحِرٌ كَذَّابٌ

Naar Fir'aun en Hâmân en Qârôen en zij zeiden: "(Hij is) een tovenaar, een leugenaar

Siregar

فَلَمَّا جَٓاءَهُمْ بِالْحَقِّ مِنْ عِنْدِنَا قَالُوا اقْتُلُٓوا اَبْنَٓاءَ الَّذٖینَ اٰمَنُوا مَعَهُ وَاسْتَحْیُوا نِسَٓاءَهُمْؕ وَمَا كَیْدُ الْكَافِرٖینَ اِلَّا فٖی ضَلَالٍ

Toen hij dan lot hen kwam met de Waarheid van Onze Zijde, zeiden zij: "Doodt de zonen van degenen die geloven met hem, maar laat hun dochters leven." Maar, de list van de ongelovigen kan niet anders dan mislukken

Siregar

0:00
0:00