الْمَائِدَةِ

Soera Al-Ma'idah, vers 31

De Gedekte Tafel · Medinaans · 120 verzen

5:31

فَبَعَثَ اللّٰهُ غُرَابًا یَبْحَثُ فِی الْاَرْضِ لِیُرِیَهُ كَیْفَ یُوَارٖی سَوْاَةَ اَخٖیهِؕ قَالَ یَا وَیْلَتٰٓى اَعَجَزْتُ اَنْ اَكُونَ مِثْلَ هٰذَا الْغُرَابِ فَاُوَارِیَ سَوْاَةَ اَخٖیۚ فَاَصْبَحَ مِنَ النَّادِمٖینَۚۛ

FabaAAatha Allahu ghuraban yabhathu fee alardi liyuriyahu kayfa yuwaree sawata akheehi qala ya waylata aAAajaztu an akoona mithla hatha alghurabi faowariya sawata akhee faasbaha mina alnnadimeena

Vertalingen

Toen stuurde Allah een raaf, die over de grond kreste om hem te laten zien hoe hij het lichaam van zijn broeder kon bedekken. Hij zei: "Wee mij! Waarom ben ik zo zwak dat ik niet net zoals de raaf het lichaam van mijn broeder kan bedekken?" En zo werd hij een van hen die wroeging hebben

Sofian S. Siregar

God zond toen een raaf die in de aarde scharrelde om hem te tonen hoe hij het lijk van zijn broer kon bedekken. Hij zei: "Wee mij! Ben ik niet in staat om zoals deze raaf te zijn en het lijk van mijn broer te bedekken?" Zo ging hij behoren tot hen die wroeging hebben

Fred Leemhuis