التَّحْر۪يمِ

Soera At-Tahrim, vers 12

Het Verbod · Medinaans · 12 verzen

66:12

وَمَرْیَمَ ابْنَتَ عِمْرٰنَ الَّتٖٓی اَحْصَنَتْ فَرْجَهَا فَنَفَخْنَا فٖیهِ مِنْ رُوحِنَا وَصَدَّقَتْ بِكَلِمَاتِ رَبِّهَا وَكُتُبِهٖ وَكَانَتْ مِنَ الْقَانِتٖینَ

Wamaryama ibnata AAimrana allatee ahsanat farjaha fanafakhna feehi min roohina wasaddaqat bikalimati rabbiha wakutubihi wakanat mina alqaniteena

Vertalingen

En (het voorbeeld van) Maryam, de dochter van Imrân, die haar eerbaarheid bewaard had, waarop Wij in haar van Onze geest bliezen en zij getuigde van de Waarheid van de Woorden van haar Heer en Zijn Schriften en zij behoorde tot de gehoorzamen

Sofian S. Siregar

En Marjam, de dochter van 'Imraan die haar eerbaarheid bewaarde. Toen bliezen Wij er iets van Onze geest in en zij geloofde de woorden van haar Heer en Zijn boeken; zij behoorde tot de onderdanigen

Fred Leemhuis