الْاَعْرَافِ

Soera Al-A'raf, vers 148

De Verheven Plaatsen · Mekkaans · 206 verzen

7:148

وَاتَّخَذَ قَوْمُ مُوسٰى مِنْ بَعْدِهٖ مِنْ حُلِیِّهِمْ عِجْلًا جَسَدًا لَهُ خُوَارٌؕ اَلَمْ یَرَوْا اَنَّهُ لَا یُكَلِّمُهُمْ وَلَا یَهْدٖیهِمْ سَبٖیلًاۘ اِتَّخَذُوهُ وَكَانُوا ظَالِمٖینَ

Waittakhatha qawmu moosa min baAAdihi min huliyyihim AAijlan jasadan lahu khuwarun alam yaraw annahu la yukallimuhum wala yahdeehim sabeelan ittakhathoohu wakanoo thalimeena

Vertalingen

En het volk van Môesa maakte, na zijn vertrek (naar de berg Thôer). van hun (gouden) sieraden (een afgodsbeeld met) het lichaam van een kalf dat een loeiend geluid maakte. Beseften zij niet dat het in werkelijkheid niet tot hen kon spreken en hen geen weg kon wijzen? Zij namen het (ter aanbidding) en zij waren onrechtplegers

Sofian S. Siregar

En het volk van Moesa maakte zich na zijn vertrek van hun sieraden een kalf, als een lichaam met geloei. Zagen zij dan niet dat het niet tot hen kon spreken en hun niet de weg kon wijzen? Zij namen het aan en pleegden onrecht

Fred Leemhuis