7. Al-A'raf

الْاَعْرَافِ

قَالَ مَا مَنَعَكَ اَلَّا تَسْجُدَ اِذْ اَمَرْتُكَؕ قَالَ اَنَا𐻾 خَیْرٌ مِنْهُۚ خَلَقْتَنٖی مِنْ نَارٍ وَخَلَقْتَهُ مِنْ طٖینٍ

Hij (Allah) vroeg: "Wat belemmerde jou je neer te knielen, toen Ik het jou beval?" Hij zei: "Ik ben beter dan hem (Adam); U hebt mij uit vuur geschapen terwijl U hem uit aarde hebt geschapen

Siregar

قَالَ فَاهْبِطْ مِنْهَا فَمَا یَكُونُ لَكَ اَنْ تَتَكَبَّرَ فٖیهَا فَاخْرُجْ اِنَّكَ مِنَ الصَّاغِرٖینَ

Hij (Allah) zei: "Daal af uit het (Paradijs), want het past jou niet dat jij je er hoogmoedig in gedraagt. vertrek daaroum. Voorwaar, jij behoort tot de vernederden

Siregar

قَالَ اَنْظِرْنٖٓی اِلٰى یَوْمِ یُبْعَثُونَ

Hij zei:"Geef mij uitstel tot de Dag waarop zij opgewekt zullen worden

Siregar

قَالَ اِنَّكَ مِنَ الْمُنْظَرٖینَ

Hij (Allah) zei: "Voorwaar, jij behoort tot hen aan wie uitstel is gegeven

Siregar

قَالَ فَبِمَٓا اَغْوَیْتَنٖی لَاَقْعُدَنَّ لَهُمْ صِرَاطَكَ الْمُسْتَقٖیمَۙ

Hij (Iblis) zei: "Omdat U mij hebt doen dwalen, zal ik hen belemmeren op Uw recht Pad

Siregar

ثُمَّ لَاٰتِیَنَّهُمْ مِنْ بَیْنِ اَیْدٖیهِمْ وَمِنْ خَلْفِهِمْ وَعَنْ اَیْمَانِهِمْ وَعَنْ شَمَٓائِلِهِمْؕ وَلَا تَجِدُ اَكْثَرَهُمْ شَاكِرٖینَ

Daarna zal ik zeker tot hen komen, van voor hen en ven achter hen en van hun rechterzijde en van hun linkerzijde, en U zult de meesten van hen niet als dankbaren aantreffen

Siregar

قَالَ اخْرُجْ مِنْهَا مَذْؤُ𐻿مًا مَدْحُورًاؕ لَمَنْ تَبِعَكَ مِنْهُمْ لَاَمْلَــَٔنَّ جَهَنَّمَ مِنْكُمْ اَجْمَعٖینَ

Hij (Allah) zei: 'Ga er uit weg, veracht en verstoten. Wie van hen jou dan volgt: voorwaar, Ik zal de hel vullen met jullie allen

Siregar

وَیَٓا اٰدَمُ اسْكُنْ اَنْتَ وَزَوْجُكَ الْجَنَّةَ فَكُلَا مِنْ حَیْثُ شِئْتُمَا وَلَا تَقْرَبَا هٰذِهِ الشَّجَرَةَ فَتَكُونَا مِنَ الظَّالِمٖینَ

En: "O Adam, verblijft in het Paradijs, jij en je vrouw, en eet wat jullie willen, en nadert deze boom niet, want dan zullen jullie tot de onrechtplegers behoren

Siregar

فَوَسْوَسَ لَهُمَا الشَّیْطَانُ لِیُبْدِیَ لَهُمَا مَا وُ𐻿رِیَ عَنْهُمَا مِنْ سَوْاٰتِهِمَا وَقَالَ مَا نَهٰیكُمَا رَبُّكُمَا عَنْ هٰذِهِ الشَّجَرَةِ اِلَّٓا اَنْ تَكُونَا مَلَكَیْنِ اَوْ تَكُونَا مِنَ الْخَالِدٖینَ

Toen fluisterde de Satan hen in om te onthullen wat er van hun schaamte bedekt was, en hij zei: "Jullie Heer houdt jullie slechts van deze boom af omdat jullie anders Engelen worden, of dat jullie tot de eeuwiglevenden zullen behoren

Siregar

وَقَاسَمَهُمَٓا اِنّٖی لَكُمَا لَمِنَ النَّاصِحٖینَۙ

En hij bezwoer hun: "Voorwaar, ik behoor voor jullie zeker tot raadgevers

Siregar

فَدَلّٰیهُمَا بِغُرُورٍۚ فَلَمَّا ذَاقَا الشَّجَرَةَ بَدَتْ لَهُمَا سَوْاٰتُهُمَا وَطَفِقَا یَخْصِفَانِ عَلَیْهِمَا مِنْ وَرَقِ الْجَنَّةِؕ وَنَادٰیهُمَا رَبُّهُمَٓا اَلَمْ اَنْهَكُمَا عَنْ تِلْكُمَا الشَّجَرَةِ وَاَقُلْ لَكُمَٓا اِنَّ الشَّیْطَانَ لَكُمَا عَدُوٌّ مُبٖینٌ

Waarlijk, hij bedroog hen door misleiding, Toen zij dan van (de vruchten van) de boom hadden geproefd, werd hun schaamte zichtbaar en zij begonnen zich to bedekken met aaneenge-regen bladeren van het Paradijs. En hun Heer riep tot hen: "Heb ik jullie deze boom van jullie niet verboden en heb Ik niet tot jullie gezegd: "Voorwaar, de Satan is voor jullie een duidelijke vijand

Siregar

0:00
0:00