یَوْمَ یَفِرُّ الْمَرْءُ مِنْ اَخٖیهِۙ
Op die Dag vlucht de mens van zijn broeder
Siregar
عَبَسَ
یَوْمَ یَفِرُّ الْمَرْءُ مِنْ اَخٖیهِۙ
Op die Dag vlucht de mens van zijn broeder
Siregar
وَاُمِّهٖ وَاَبٖیهِۙ
En van zijn moeder en zijn vader
Siregar
وَصَاحِبَتِهٖ وَبَنٖیهِؕ
En van zijn vrouw en van zijn kinderen
Siregar
لِكُلِّ امْرِئٍ مِنْهُمْ یَوْمَئِذٍ شَاْنٌ یُغْنٖیهِؕ
Een ieder ven hen zal op die Dag een bezigheid hebben die hem genoeg is
Siregar
وُجُوهٌ یَوْمَئِذٍ مُسْفِرَةٌۙ
Gezichten (van de gelovigen) zullen op die Dag stralen
Siregar
ضَاحِكَةٌ مُسْتَبْشِرَةٌۚ
Lachend, verblijd
Siregar
وَوُجُوهٌ یَوْمَئِذٍ عَلَیْهَا غَبَرَةٌۙ
En gezichten (van de ongelovigen) zullen op die Dag met stof bedekt Zijn
Siregar
تَرْهَقُهَا قَتَرَةٌؕ
En een duisternis zal hen omhullen
Siregar
اُو𐻾لٰٓئِكَ هُمُ الْكَفَرَةُ الْفَجَرَةُ
Zij zijn degenen die de zondige ongelovigen zijn
Siregar