هُودٍ

Soera Hud, vers 110

Hoed (de Profeet) · Mekkaans · 123 verzen

11:110

وَلَقَدْ اٰتَیْنَا مُوسَى الْكِتَابَ فَاخْتُلِفَ فٖیهِؕ وَلَوْلَا كَلِمَةٌ سَبَقَتْ مِنْ رَبِّكَ لَقُضِیَ بَیْنَهُمْؕ وَاِنَّهُمْ لَفٖی شَكٍّ مِنْهُ مُرٖیبٍ

Walaqad atayna moosa alkitaba faikhtulifa feehi walawla kalimatun sabaqat min rabbika laqudiya baynahum wainnahum lafee shakkin minhu mureebun

Vertalingen

En voorzeker, wij hebben Môesa de Schrift (de Taurât) gegeven, waarna er onenigheid over bestond. En als er niet een Woord van jouw Heer vooruitgegaan was, dan zou er reeds Uwen hen zijn geoordeeld. En voorwaar, zij verkeren zeker in vergaande twijfel

Sofian S. Siregar

Wij hebben het boek aan Moesa gegeven, maar toen werd men het erover oneens. En als er al niet eerder een woord van jouw Heer gekomen was, dan was er tussen hen al een beslissing getroffen. Zij verkeren daarover in hevige twijfel

Fred Leemhuis