هُودٍ

Soera Hud, vers 20

Hoed (de Profeet) · Mekkaans · 123 verzen

11:20

اُو𐻾لٰٓئِكَ لَمْ یَكُونُوا مُعْجِزٖینَ فِی الْاَرْضِ وَمَا كَانَ لَهُمْ مِنْ دُونِ اللّٰهِ مِنْ اَوْلِیَٓاءَۘ یُضَاعَفُ لَهُمُ الْعَذَابُؕ مَا كَانُوا یَسْتَطٖیعُونَ السَّمْعَ وَمَا كَانُوا یُبْصِرُونَ

Olaika lam yakoonoo muAAjizeena fee alardi wama kana lahum min dooni Allahi min awliyaa yudaAAafu lahumu alAAathabu ma kanoo yastateeAAoona alssamAAa wama kanoo yubsiroona

Vertalingen

Zij zijn degenen die niet in staat zijm (om de bestraffing) in deze wereld te ontvluchten. En er zijn voor hen geen beschermers, en de bestraffing wordt voor hen vermeerderd. Zij waren niet in staat om te horen en zij waren niet in staat om te zien

Sofian S. Siregar

Zij kunnen er op de aarde niets tegen doen en zij hebben buiten God geen beschermers. De bestraffing zal voor hen verdubbeld worden. Zij konden niet horen en zij zagen niet

Fred Leemhuis