14. Ibrahim

اِبْرٰه۪يمَ

قَالَتْ لَهُمْ رُسُلُهُمْ اِنْ نَحْنُ اِلَّا بَشَرٌ مِثْلُكُمْ وَلٰكِنَّ اللّٰهَ یَمُنُّ عَلٰى مَنْ یَشَٓاءُ مِنْ عِبَادِهٖؕ وَمَا كَانَ لَنَٓا اَنْ نَاْتِیَكُمْ بِسُلْطَانٍ اِلَّا بِاِذْنِ اللّٰهِؕ وَعَلَى اللّٰهِ فَلْیَتَوَكَّلِ الْمُؤْمِنُونَ

Hun Boodschappers zeiden tot hen: "Wij zijn slechts mensen als jullie, maar Allah geeft Zijn gunsten aan wie Hij wil van Zijn dienaren. En het is niet aan ons om jullie een bewijs te brengen, tenzij met verlof van Allah. En laten de gelovigen daarom hun vertrouwen stellen op Allah

Siregar

وَمَا لَنَٓا اَلَّا نَتَوَكَّلَ عَلَى اللّٰهِ وَقَدْ هَدٰینَا سُبُلَنَاؕ وَلَنَصْبِرَنَّ عَلٰى مَٓا اٰذَیْتُمُونَاؕ وَعَلَى اللّٰهِ فَلْیَتَوَكَّلِ الْمُتَوَكِّلُونَࣖ

Waarom zouden wij niet op Allah ons vertrouwen stellen. terwijl Hij ons waarlijk heeft geleid op onze weg? En wij zullen zeker geduld hebben met de kwellingen die jullie ons aandoen. En laten daarom zij die vertrouwen hebben (hun) vertrouwen op Allah stellen

Siregar

وَقَالَ الَّذٖینَ كَفَرُوا لِرُسُلِهِمْ لَنُخْرِجَنَّكُمْ مِنْ اَرْضِنَٓا اَوْ لَتَعُودُنَّ فٖی مِلَّتِنَاؕ فَاَوْحٰٓى اِلَیْهِمْ رَبُّهُمْ لَنُهْلِكَنَّ الظَّالِمٖینَۙ

En degenen die ongelovig waren, zeiden tot hun Boodschappers: "Wij zullen jullie zeker uit ons land verdrijven, of jullie moeten zeker terugkeren tot ons geloof." Toen openbaarde hun Heer aan hen: "Wij zullen de onrechtplegers zeker vernietigen

Siregar

وَلَنُسْكِنَنَّكُمُ الْاَرْضَ مِنْ بَعْدِهِمْؕ ذٰلِكَ لِمَنْ خَافَ مَقَامٖی وَخَافَ وَعٖیدِ

En Wij zullen jullie na hen in het land vestigen. Dat is voor wie Mijn plaats (macht) vreest en Mijn aaazegging vreest

Siregar

وَاسْتَفْتَحُوا وَخَابَ كُلُّ جَبَّارٍ عَنٖیدٍۙ

En zij vroegen om een overwinning en iedere opstandige geweldenaar verloor

Siregar

مِنْ وَرَٓائِهٖ جَهَنَّمُ وَیُسْقٰى مِنْ مَٓاءٍ صَدٖیدٍۙ

Voor hen ligt de Hel. En hij zal worden begoten met ettervocht

Siregar

یَتَجَرَّعُهُ وَلَا یَكَادُ یُسٖیغُهُ وَیَاْتٖیهِ الْمَوْتُ مِنْ كُلِّ مَكَانٍ وَمَا هُوَ بِمَیِّتٍؕ وَمِنْ وَرَٓائِهٖ عَذَابٌ غَلٖیظٌ

Hij drinkt het slokje voor slokje, en hij kan het bijna niet doorslikken. En de dood komt tot hem van alle kanten, maar hij sterft niet, en voor hem ligt nog een zware bestraffing

Siregar

مَثَلُ الَّذٖینَ كَفَرُوا بِرَبِّهِمْ اَعْمَالُهُمْ كَرَمَادٍࣙ اشْتَدَّتْ بِهِ الرّٖیحُ فٖی یَوْمٍ عَاصِفٍؕ لَا یَقْدِرُونَ مِمَّا كَسَبُوا عَلٰى شَیْءٍؕ ذٰلِكَ هُوَ الضَّلَالُ الْبَعٖیدُ

De vergelijking met degenen die niet in hun Heer geloven, is alsof hun daden als as zijn, dat door een harde wind wordt weggeblazen op een stormachtige dag. Zij hebben geen enkele macht over wat zij hebben verworven. Dat is een vergaande dwaling

Siregar

0:00
0:00