وَلَوْ رَحِمْنَاهُمْ وَكَشَفْنَا مَا بِهِمْ مِنْ ضُرٍّ لَلَجُّوا فٖی طُغْیَانِهِمْ یَعْمَهُونَ
En als Wij hen zouden begenadigen en Wij zouden opheffen wat er aan tegenspoed bij hen is: dan zouden zij blijven doorgaan met hun dwalingen
Siregar
الْمُؤْمِنُونَ
وَلَوْ رَحِمْنَاهُمْ وَكَشَفْنَا مَا بِهِمْ مِنْ ضُرٍّ لَلَجُّوا فٖی طُغْیَانِهِمْ یَعْمَهُونَ
En als Wij hen zouden begenadigen en Wij zouden opheffen wat er aan tegenspoed bij hen is: dan zouden zij blijven doorgaan met hun dwalingen
Siregar
وَلَقَدْ اَخَذْنَاهُمْ بِالْعَذَابِ فَمَا اسْتَكَانُوا لِرَبِّهِمْ وَمَا یَتَضَرَّعُونَ
En voorzeker, Wij hebben hen met de bestraffing getroffen, toch werden zij niet ootmoedig tegenover hun Heer en zij werden niet nederig
Siregar
حَتّٰٓى اِذَا فَتَحْنَا عَلَیْهِمْ بَابًا ذَا عَذَابٍ شَدٖیدٍ اِذَا هُمْ فٖیهِ مُبْلِسُونَࣖ
Totdat, wanneer Wij voor hen de deur van een zware bestraffing openden, zij in wanhoop verkeerden
Siregar
وَهُوَ الَّذٖٓی اَنْشَاَ لَكُمُ السَّمْعَ وَالْاَبْصَارَ وَالْاَفْــِٔدَةَؕ قَلٖیلًا مَا تَشْكُرُونَ
En Hij is Degene Die voor jullie het gehoor en gezichtsvermogen en de harten geschapen heeft. Weinig dankbaarheid tonen jullie
Siregar
وَهُوَ الَّذٖی ذَرَاَكُمْ فِی الْاَرْضِ وَاِلَیْهِ تُحْشَرُونَ
En Hij is Degene Die juuie deed groeien op de aarde en tot Hem worden jullie verzameld
Siregar
وَهُوَ الَّذٖی یُحْيٖ وَیُمٖیتُ وَلَهُ اخْتِلَافُ الَّیْلِ وَالنَّهَارِؕ اَفَلَا تَعْقِلُونَ
En Hij is Degene Die doet leven en doet sterven. En aan Hem behoort het afwissden van de dag en de nacht Begrijpen jullie dan niet
Siregar
بَلْ قَالُوا مِثْلَ مَا قَالَ الْاَوَّلُونَ
Integendeel, zij zeggen hetzelfde als de vroegeren zeiden
Siregar
قَالُٓوا ءَاِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَامًا ءَاِنَّا لَمَبْعُوثُونَ
Zij zeiden: "Wanneer wij dood zijn en tot aarde en beenderen geworden zijn, zullen wij dan zeker worden opgewckt
Siregar
لَقَدْ وُعِدْنَا نَحْنُ وَاٰبَٓاؤُ𐻾نَا هٰذَا مِنْ قَبْلُ اِنْ هٰذَٓا اِلَّٓا اَسَاطٖیرُ الْاَوَّلٖینَ
Voorzeker, dit werd vroeger aan ons en onze vaderen beloofd: dit zijn slechts fabels van de vroegeren
Siregar
قُلْ لِمَنِ الْاَرْضُ وَمَنْ فٖیهَٓا اِنْ كُنْتُمْ تَعْلَمُونَ
Zeg: "Aan wie behoort de aarde en alles wat zich daarop bevindt, als jullie het weten
Siregar
سَیَقُولُونَ لِلّٰهِؕ قُلْ اَفَلَا تَذَكَّرُونَ
Zij zullen zeggen: "Aan Allah." Zeg: "Waarom laten jullie je dan niet vermanen
Siregar
قُلْ مَنْ رَبُّ السَّمٰوَاتِ السَّبْعِ وَرَبُّ الْعَرْشِ الْعَظٖیمِ
Zeg: "Wie is de Heer van de zeven hemelen en de Heer van de Geweldige Troon
Siregar
سَیَقُولُونَ لِلّٰهِؕ قُلْ اَفَلَا تَتَّقُونَ
Zij zullen zeggen: "Aan Allah." Zeg: "Waarom vrezen jullie (Allah) dan niet
Siregar
قُلْ مَنْ بِیَدِهٖ مَلَكُوتُ كُلِّ شَیْءٍ وَهُوَ یُجٖیرُ وَلَا یُجَارُ عَلَیْهِ اِنْ كُنْتُمْ تَعْلَمُونَ
Zeg: "In Wiens handen is de heerschappij over alles? En Hij beschermt en Hij wordt niet beschermt, als jullie het weten
Siregar
سَیَقُولُونَ لِلّٰهِؕ قُلْ فَاَنّٰى تُسْحَرُونَ
Zij zullen zeggen: "Aan Allah." Zeg: "Waarom zijn jullie dan misleid
Siregar