النُّورِ

Soera An-Nur, vers 51

Het Licht · Medinaans · 64 verzen

24:51

اِنَّمَا كَانَ قَوْلَ الْمُؤْمِنٖینَ اِذَا دُعُٓوا اِلَى اللّٰهِ وَرَسُولِهٖ لِیَحْكُمَ بَیْنَهُمْ اَنْ یَقُولُوا سَمِعْنَا وَاَطَعْنَاؕ وَاُو𐻾لٰٓئِكَ هُمُ الْمُفْلِحُونَ

Innama kana qawla almumineena itha duAAoo ila Allahi warasoolihi liyahkuma baynahum an yaqooloo samiAAna waataAAna waolaika humu almuflihoona

Vertalingen

De woorden van de gelovigen, wanneer zij naar Allah en Zijn Boodschapper opgeroepen worden, opdat hij onder hen oordeelt, zijn slechts dat zij zeggen: "Wij horen en wij gehoorzamen." En zij zijn degenen die de welslagenden zijn

Sofian S. Siregar

Maar wat de gelovigen zeggen wanneer zij tot God en Zijn gezant worden opgeroepen opdat hij tussen hen zal oordelen is: "Wij horen en gehoorzamen. Zij zijn het die het welgaat

Fred Leemhuis