Mushafim

7. Al-A'raf

الْاَعْرَافِ

وَالْبَلَدُ الطَّیِّبُ یَخْرُجُ نَبَاتُهُ بِاِذْنِ رَبِّهٖۚ وَالَّذٖی خَبُثَ لَا یَخْرُجُ اِلَّا نَكِدًاؕ كَذٰلِكَ نُصَرِّفُ الْاٰیَاتِ لِقَوْمٍ یَشْكُرُونَࣖ

En de vruchtbare streek brengt haar gewassen vooit met verlof van haar Heer. En de (streek) die onvruchtbaar is, brengt niets voort dan een schaats gewas. Zo leggen Wij de Tekenen uit aan een volk dat dankbaar is

Siregar

لَقَدْ اَرْسَلْنَا نُوحًا اِلٰى قَوْمِهٖ فَقَالَ یَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللّٰهَ مَا لَكُمْ مِنْ اِلٰهٍ غَیْرُهُؕ اِنّٖٓی اَخَافُ عَلَیْكُمْ عَذَابَ یَوْمٍ عَظٖیمٍ

Voorzeker, Wij zonden Nôeh tot zijn volk en hij zei: "O mijn volk, aanbidt Allah, er is voor jullie geen god dan Hij: voorwaar, ik vrees voor jullie de bestraffing van een geweldige Dag

Siregar

قَالَ الْمَلَاُ مِنْ قَوْمِهٖٓ اِنَّا لَنَرٰیكَ فٖی ضَلَالٍ مُبٖینٍ

De vooraanstaanden van zijn volk zeiden: "Voorwaar, wij zien jou zeker in duidelijke dwaling verkeren

Siregar

قَالَ یَا قَوْمِ لَیْسَ بٖی ضَلَالَةٌ وَلٰكِنّٖی رَسُولٌ مِنْ رَبِّ الْعَالَمٖینَ

Hij (Nôeh) zei: "O mijn volk, er is bij mij geen dwaling, maar ik ben een Boodschapper van de Heer der Werelden

Siregar

اُبَلِّغُكُمْ رِسَالَاتِ رَبّٖی وَاَنْصَحُ لَكُمْ وَاَعْلَمُ مِنَ اللّٰهِ مَا لَا تَعْلَمُونَ

Ik verkondig jullie Boodschappen van mijn Heer en ik geef jullie raad en ik weet over Allah wat jullie niet weten

Siregar

اَوَعَجِبْتُمْ اَنْ جَٓاءَكُمْ ذِكْرٌ مِنْ رَبِّكُمْ عَلٰى رَجُلٍ مِنْكُمْ لِیُنْذِرَكُمْ وَلِتَتَّقُوا وَلَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ

En verbaasde het jullie, dat er een vermaning van jullie Heer tot jullie is gekomen, door een man uit jullie midden? (Hij komt) opdat hij jullie waarschuwt, en opdat jullie (Allah) vrezen. En hopelijk zullen jullie begenadigd worden

Siregar

فَكَذَّبُوهُ فَاَنْجَیْنَاهُ وَالَّذٖینَ مَعَهُ فِی الْفُلْكِ وَاَغْرَقْنَا الَّذٖینَ كَذَّبُوا بِاٰیَاتِنَاؕ اِنَّهُمْ كَانُوا قَوْمًا عَمٖینَࣖ

Toen loochenden zij hem (Nôeh), waarna Wij hem redden en degenen met hem in het schip. En Wij verdronken hen die Onze Tekenen loochenden. Voorwaar, zij waren een blind volk

Siregar

وَاِلٰى عَادٍ اَخَاهُمْ هُودًاؕ قَالَ یَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللّٰهَ مَا لَكُمْ مِنْ اِلٰهٍ غَیْرُهُؕ اَفَلَا تَتَّقُونَ

En tot de 'Âd (zonden Wij) hun broeder Hôed, Hij zei: "O mijn vok aanbidt Allah, er is voor jullie geen god dan Hij, zullen jullie dan niet (Allah) vrezen

Siregar

قَالَ الْمَلَاُ الَّذٖینَ كَفَرُوا مِنْ قَوْمِهٖٓ اِنَّا لَنَرٰیكَ فٖی سَفَاهَةٍ وَاِنَّا لَنَظُنُّكَ مِنَ الْكَاذِبٖینَ

De vooraanstaanden onder zijn volk, die ongelovig waren, zeiden: "Voorwaar, wij zien dat jij in dwaasheid verkeert; en voorwar, wij menen zeker dat jij tot de leugenaars behoort

Siregar

قَالَ یَا قَوْمِ لَیْسَ بٖی سَفَاهَةٌ وَلٰكِنّٖی رَسُولٌ مِنْ رَبِّ الْعَالَمٖینَ

Hij (Hôed) zei: "O mijn volk, er is bij mij geen dwaasheid, maar ik ben een Boodschapper van de Heer der Werelden

Siregar

0:00
0:00