Mushafim

10. Yunus

يُونُسَ

وَقَالَ فِرْعَوْنُ ائْتُونٖی بِكُلِّ سَاحِرٍ عَلٖیمٍ

En Fir'aun zei: "Brengt mij alle vakkundige tovenaars

Siregar

فَلَمَّا جَٓاءَ السَّحَرَةُ قَالَ لَهُمْ مُوسٰٓى اَلْقُوا مَٓا اَنْتُمْ مُلْقُونَ

Toen dan alle tovenaars waren gekomen, zei Môesa tot hen: "Werpt dat wat jullie (willen) werpen

Siregar

فَلَمَّٓا اَلْقَوْا قَالَ مُوسٰى مَا جِئْتُمْ بِهِ السِّحْرُؕ اِنَّ اللّٰهَ سَیُبْطِلُهُؕ اِنَّ اللّٰهَ لَا یُصْلِحُ عَمَلَ الْمُفْسِدٖینَ

Toen zij dan hadden geworpen, zei Môesa: "Wat jullie hebben gebracht is tovenarij, voorwaar, Allah zal het teniet doen. Voorwaar, Allah laat de werken van de verderfzaaiers niet voortbestaan

Siregar

وَیُحِقُّ اللّٰهُ الْحَقَّ بِكَلِمَاتِهٖ وَلَوْ كَرِهَ الْمُجْرِمُونَࣖ

En Allah vestigt de Waarheid met Zijn Woorden, ook al hebben de misdadigers er een afkeer van

Siregar

فَمَٓا اٰمَنَ لِمُوسٰٓى اِلَّا ذُرِّیَّةٌ مِنْ قَوْمِهٖ عَلٰى خَوْفٍ مِنْ فِرْعَوْنَ وَمَلَا𐻾ئِهِمْ اَنْ یَفْتِنَهُمْؕ وَاِنَّ فِرْعَوْنَ لَعَالٍ فِی الْاَرْضِۚ وَاِنَّهُ لَمِنَ الْمُسْرِفٖینَ

Toen gcloofde niemand Môesa, behalve (enkele) jongelingen van zijn volk, terwijl zij vreesden dat Fir'aun en zijn vooraanstaanden hen zouden vervolgen. En voorwaar, Fir'aun was zeker een onderdrukker in het land: en voorwaar, hij behoorde zeker tot de buitensporigen

Siregar

وَقَالَ مُوسٰى یَا قَوْمِ اِنْ كُنْتُمْ اٰمَنْتُمْ بِاللّٰهِ فَعَلَیْهِ تَوَكَّلُٓوا اِنْ كُنْتُمْ مُسْلِمٖینَ

En Môesa zei: "O mijn volk, als jullie in Allah geloven, stelt dan jullie vertrouwen op Hem, als jullie je hebben overgegeven (aan Allah)

Siregar

فَقَالُوا عَلَى اللّٰهِ تَوَكَّلْنَاۚ رَبَّنَا لَا تَجْعَلْنَا فِتْنَةً لِلْقَوْمِ الظَّالِمٖینَۙ

Toen zeiden zij: "Op Allah hebben wij ons vertrouwen gesteld, Onze Hem, maak ons geen voorwerp van vervolging door het onreelhtplegende volk

Siregar

وَنَجِّنَا بِرَحْمَتِكَ مِنَ الْقَوْمِ الْكَافِرٖینَ

En red ons door Uw Barmhartigheid van het ongelovige volk

Siregar

وَاَوْحَیْنَٓا اِلٰى مُوسٰى وَاَخٖیهِ اَنْ تَبَوَّاٰ لِقَوْمِكُمَا بِمِصْرَ بُیُوتًا وَاجْعَلُوا بُیُوتَكُمْ قِبْلَةً وَاَقٖیمُوا الصَّلٰوةَؕ وَبَشِّرِ الْمُؤْمِنٖینَ

En Wij openbaarden aan Môesa en zijn broeder: "Bouwt voor jullie volk huizen in Egypte en maakt van jullie woningen gebedsbuizen en onderhoudt de shalât en verkondigt een verheugende tijding aan de gelovigen

Siregar

وَقَالَ مُوسٰى رَبَّنَٓا اِنَّكَ اٰتَیْتَ فِرْعَوْنَ وَمَلَاَهُ زٖینَةً وَاَمْوَالًا فِی الْحَیٰوةِ الدُّنْیَاۙ رَبَّنَا لِیُضِلُّوا عَنْ سَبٖیلِكَۚ رَبَّنَا اطْمِسْ عَلٰٓى اَمْوَالِهِمْ وَاشْدُدْ عَلٰى قُلُوبِهِمْ فَلَا یُؤْمِنُوا حَتّٰى یَرَوُا الْعَذَابَ الْاَلٖیمَ

En Môesa zei: "Onze Heer, voorwaar, U heeft Fir'aun en zijn vooraanstaanden versieringen en bezittingen tijdens het wereldse leven gegeven. Onze Heef, daardoor hielden zij (de mensen) af van Uw Pad. O Heer, vaag hun bezittingen weg en verhardt hun harten zodat zij niet geloven totdat zij de pijnlijke bestraffing zien

Siregar

0:00
0:00