Mushafim

18. Al-Kahf

الْكَهْفِ

فَلَمَّا جَاوَزَا قَالَ لِفَتٰیهُ اٰتِنَا غَدَٓاءَنَاؗ لَقَدْ لَقٖینَا مِنْ سَفَرِنَا هٰذَا نَصَبًا

En toen zij voortgingen zei hij (Môesa) tot zijn gezel: "Breng ons ons eten (de vis). Voorzeker, wij zijn door deze reis van ons moe geworden

Siregar

قَالَ اَرَاَیْتَ اِذْ اَوَیْنَٓا اِلَى الصَّخْرَةِ فَاِنّٖی نَسٖیتُ الْحُوتَؗ وَمَٓا اَنْسَانٖیهُ اِلَّا الشَّیْطَانُ اَنْ اَذْكُرَهُۚ وَاتَّخَذَ سَبٖیلَهُ فِی الْبَحْرِࣗ عَجَبًا

Hij (de gezel) zei: "Zag jij (wat er gebeurde) toen wij ons naar de rots begaven'? Voorwaar, toen vergat ik de vis, en ik ben hem niet vergelen te herinneren, behalve door de Satan. En bij zocht zijn weg in de zee op een verbazingwekkende manier

Siregar

قَالَ ذٰلِكَ مَا كُنَّا نَبْغِࣗ فَارْتَدَّا عَلٰٓى اٰثَارِهِمَا قَصَصًاۙ

Hij (Môesa) zei: "Dat was wat wij zochten," toen keerden zij in hun voetstappen terug

Siregar

فَوَجَدَا عَبْدًا مِنْ عِبَادِنَٓا اٰتَیْنَاهُ رَحْمَةً مِنْ عِنْدِنَا وَعَلَّمْنَاهُ مِنْ لَدُنَّا عِلْمًا

Toen vonden zij een dienaar van onder Onze dienaren, aan wie Wij Barmhartigheid van Onze Zijde gegeven hadden en Wij hadden hem van Onze Zijde kennis bijgebracht

Siregar

قَالَ لَهُ مُوسٰى هَلْ اَتَّبِعُكَ عَلٰٓى اَنْ تُعَلِّمَنِ مِمَّا عُلِّمْتَ رُشْدًا

Môesa zei tot hem: "Mag ik jou volgen, opdat jij mij onderwijst wat aan jou van de kennis geleerd is

Siregar

قَالَ اِنَّكَ لَنْ تَسْتَطٖیعَ مَعِیَ صَبْرًا

Hij zei: "Voorwaar, jij zult nooit in staat zijn geduld met mij te hebben

Siregar

وَكَیْفَ تَصْبِرُ عَلٰى مَا لَمْ تُحِطْ بِهٖ خُبْرًا

En hoe kan jij geduld hebben met wat jouw begrip niet omvat

Siregar

قَالَ سَتَجِدُنٖٓی اِنْ شَٓاءَ اللّٰهُ صَابِرًا وَلَٓا اَعْصٖی لَكَ اَمْرًا

Hij (Môesa) zei: "Jij zult vinden dat ik, indien Allah het wil, een geduldige ben en ik zal jou in geen opdracht ongehoorzaam zijn

Siregar

قَالَ فَاِنِ اتَّبَعْتَنٖی فَلَا تَسْـَٔلْنٖی عَنْ شَیْءٍ حَتّٰٓى اُحْدِثَ لَكَ مِنْهُ ذِكْرًاࣖ

Hij zei: "Als jij mij volgt, stel mij dan geen vraag over iets vôôr ik jou er de uitleg van vertel

Siregar

فَانْطَلَقَاࣞ حَتّٰٓى اِذَا رَكِبَا فِی السَّفٖینَةِ خَرَقَهَاؕ قَالَ اَخَرَقْتَهَا لِتُغْرِقَ اَهْلَهَاۚ لَقَدْ جِئْتَ شَیْـًٔا اِمْرًا

Zo gingen zij verder tot zij aan boord van de boot gingen en hij er een gat in maakte. Hij (Môesa) zei: "Maakte jij er een gat in om de opvarenden ervan te doen verdrinken? Voorzeker, jij hebt iets raars gedaan

Siregar

قَالَ اَلَمْ اَقُلْ اِنَّكَ لَنْ تَسْتَطٖیعَ مَعِیَ صَبْرًا

Hij zei: "Heb ik jou niet gezegd: 'Voorwaar, jij bent niet in staat om geduld met mij te hebben

Siregar

قَالَ لَا تُؤَاخِذْنٖی بِمَا نَسٖیتُ وَلَا تُرْهِقْنٖی مِنْ اَمْرٖی عُسْرًا

Hij (Môesa) zei: "Neem mij niet kwalijk wat ik vergeten ben, en belast mij niet in mijn zaak met moeilijkheden

Siregar

فَانْطَلَقَاࣞ حَتّٰٓى اِذَا لَقِیَا غُلَامًا فَقَتَلَهُۙ قَالَ اَقَتَلْتَ نَفْسًا زَكِیَّةً بِغَیْرِ نَفْسٍؕ لَقَدْ جِئْتَ شَیْـًٔا نُكْرًا

Zo gingen zij verder totdat zij een jongeling ontmoetten en hij hem doodde. Hij (Môesa) zei: "Doodde jij een onschuldige ziel zonder recht? Voorzeker, jij hebt iets vreemds gedaan

Siregar

0:00
0:00