Mushafim

20. Taha

طٰهٰ

فَاَخْرَجَ لَهُمْ عِجْلًا جَسَدًا لَهُ خُوَارٌ فَقَالُوا هٰذَٓا اِلٰهُكُمْ وَاِلٰهُ مُوسٰى فَنَسِیَؕ

Toen haalde de Sâmirî voor hen een beeld van een kalf (uit het vuur), met geloei. En zij zeiden: "Dit is jullie god en de god van Môesa, maar hij vergat (hem)

Siregar

اَفَلَا یَرَوْنَ اَلَّا یَرْجِعُ اِلَیْهِمْ قَوْلًاۙ وَلَا یَمْلِكُ لَهُمْ ضَرًّا وَلَا نَفْعًاࣖ

Zien zij niet dat het geen woord aan hen terug gaf en het ook geen kracht had om voor hen schade (te voorkomen) of te baten

Siregar

وَلَقَدْ قَالَ لَهُمْ هٰرُونُ مِنْ قَبْلُ یَا قَوْمِ اِنَّمَا فُتِنْتُمْ بِهٖۚ وَاِنَّ رَبَّكُمُ الرَّحْمٰنُ فَاتَّبِعُونٖی وَاَطٖیعُٓوا اَمْرٖی

En voorzeker, Hârôen had tevoren gezegd: "O mijn volk, jullie worden daarmee op de proef gesteld. En voorwaar, jullie Heer is de Barmhartige. Volgt mij daarom en gehoorzaamt mijn bevel

Siregar

قَالُوا لَنْ نَبْرَحَ عَلَیْهِ عَاكِفٖینَ حَتّٰى یَرْجِعَ اِلَیْنَا مُوسٰى

Zij (de aanbidders van het kalf) zeiden: "Wij zullen nooit ophouden hein (te aanbidden), totdat Môesa tot ons terugkeert

Siregar

قَالَ یَا هٰرُونُ مَا مَنَعَكَ اِذْ رَاَیْتَهُمْ ضَلُّواۙ

Hij (Môesa) zei: "O Hârôen, wat hield jou tegen toen jij ben zag dwalen

Siregar

اَلَّا تَتَّبِعَنِؕ اَفَعَصَیْتَ اَمْرٖی

Om mij te volgen? Ben jij dan ongehoor-zaam aan mijn bevel geweest

Siregar

قَالَ یَبْنَؤُ𐻾مَّ لَا تَاْخُذْ بِلِحْیَتٖی وَلَا بِرَاْسٖیۚ اِنّٖی خَشٖیتُ اَنْ تَقُولَ فَرَّقْتَ بَیْنَ بَنٖٓی اِسْرَٓایٖٔلَ وَلَمْ تَرْقُبْ قَوْلٖی

Hij (Hârôen) zei: "Zoon van mijn moeder, grijp mij niet bij mijn baard of bij mijn hoofd. Ik was bang dat jij zou zeggen: 'Jij hebt de Kinderen van Israël verdeeld en jij hebt mijn woorden niet in acht genomen

Siregar

قَالَ فَمَا خَطْبُكَ یَا سَامِرِیُّ

Hij (Môesa) zei: "Wat was jouw geval, O sâmirî

Siregar

قَالَ بَصُرْتُ بِمَا لَمْ یَبْصُرُوا بِهٖ فَقَبَضْتُ قَبْضَةً مِنْ اَثَرِ الرَّسُولِ فَنَبَذْتُهَا وَكَذٰلِكَ سَوَّلَتْ لٖی نَفْسٖی

Hij (de Sâmiri) zei: "Ik doorzag wat zij niet doorzagen en ik nam een handvol uit het spoor van de gezant en ik strooide het (over het kalt). En zo verblijdde ik mijzelf

Siregar

قَالَ فَاذْهَبْ فَاِنَّ لَكَ فِی الْحَیٰوةِ اَنْ تَقُولَ لَا مِسَاسَࣕ وَاِنَّ لَكَ مَوْعِدًا لَنْ تُخْلَفَهُۚ وَانْظُرْ اِلٰٓى اِلٰهِكَ الَّذٖی ظَلْتَ عَلَیْهِ عَاكِفًاؕ لَنُحَرِّقَنَّهُ ثُمَّ لَنَنْسِفَنَّهُ فِی الْیَمِّ نَسْفًا

Hij (Môesa) zei: "Ga dan maar heen. Voorwaar, voor jou is er in het leven, dat jij slechts kan zeggen: 'Raak mij niet aan, 'en voorwaar, voor jou is er een afspraak (in het Hiernamaals), die nooit afgezegd kan worden. En kijk naar jouw god die jij voortdurend aan het aanbidden was: wij zullen hem zeker verbranden. En vervolgens werpen wij hem zeker als as in de zee

Siregar

اِنَّمَٓا اِلٰهُكُمُ اللّٰهُ الَّذٖی لَٓا اِلٰهَ اِلَّا هُوَؕ وَسِعَ كُلَّ شَیْءٍ عِلْمًا

Voorwaar, jullie god is slechts Allah, er is geen god dan Hij. Hij omvat alle zaken met (Zijn) kennis

Siregar

0:00
0:00