وَنُمَكِّنَ لَهُمْ فِی الْاَرْضِ وَنُرِیَ فِرْعَوْنَ وَهَامَانَ وَجُنُودَهُمَا مِنْهُمْ مَا كَانُوا یَحْذَرُونَ
En Wij vestigden hen op aarde en Wij toonden Fir'aun,. en Hâmân en hun troepen onder hen dat waar zij bevreesd voor waren
Siregar
الْقَصَصِ
وَنُمَكِّنَ لَهُمْ فِی الْاَرْضِ وَنُرِیَ فِرْعَوْنَ وَهَامَانَ وَجُنُودَهُمَا مِنْهُمْ مَا كَانُوا یَحْذَرُونَ
En Wij vestigden hen op aarde en Wij toonden Fir'aun,. en Hâmân en hun troepen onder hen dat waar zij bevreesd voor waren
Siregar
وَاَوْحَیْنَٓا اِلٰٓى اُمِّ مُوسٰٓى اَنْ اَرْضِعٖیهِۚ فَاِذَا خِفْتِ عَلَیْهِ فَاَلْقٖیهِ فِی الْیَمِّ وَلَا تَخَافٖی وَلَا تَحْزَنٖیۚ اِنَّا رَٓادُّوهُ اِلَیْكِ وَجَاعِلُوهُ مِنَ الْمُرْسَلٖینَ
En Wij inspireerden aan de moeder van Môesa: "Zoog hem", maar als jij voor hem vreest, werp hem dan in de rivier, en vrees niet en treur niet: voorwaar, Wij zullen hem bij jou terugbrengen en hem tot één van de Boodschappers maken
Siregar
فَالْتَقَطَهُٓ اٰلُ فِرْعَوْنَ لِیَكُونَ لَهُمْ عَدُوًّا وَحَزَنًاؕ اِنَّ فِرْعَوْنَ وَهَامَانَ وَجُنُودَهُمَا كَانُوا خَاطِـٖٔینَ
Toen pikten de mensen van Fir'aun hem op (uit de rivier), zodat hij een vijand van hen zou worden en een bron van droefenis. Voorwaar, Fir'aun, Hâmân en hun legers waren zondaren
Siregar
وَقَالَتِ امْرَاَتُ فِرْعَوْنَ قُرَّتُ عَیْنٍ لٖی وَلَكَؕ لَا تَقْتُلُوهُࣗ عَسٰٓى اَنْ یَنْفَعَنَٓا اَوْ نَتَّخِذَهُ وَلَدًا وَهُمْ لَا یَشْعُرُونَ
En de vrouw van Fir'aun zei: "Hij is een verkoeling voor mijn en jouw oog. Doodt hem niet, moge hij ons baten, of kunnen wij hem als zoon annemen," En zij beseften niet
Siregar
وَاَصْبَحَ فُؤَادُ اُمِّ مُوسٰى فَارِغًاؕ اِنْ كَادَتْ لَتُبْدٖی بِهٖ لَوْلَٓا اَنْ رَبَطْنَا عَلٰى قَلْبِهَا لِتَكُونَ مِنَ الْمُؤْمِنٖینَ
En het hart van de moeder van Môesa werd leeg, en zij had het (geheim) bijna onthuld, als Wij haar hart niet versterkt hadden, zodat zij tot de gelovigen behoorde
Siregar
وَقَالَتْ لِاُخْتِهٖ قُصّٖیهِؗ فَبَصُرَتْ بِهٖ عَنْ جُنُبٍ وَهُمْ لَا یَشْعُرُونَۙ
En zij zei tegen zijn (Môesa) zuster: "Volg hem." En zo bekeek zij hem op een afstand, terwijl zij het niet beseften
Siregar
وَحَرَّمْنَا عَلَیْهِ الْمَرَاضِعَ مِنْ قَبْلُ فَقَالَتْ هَلْ اَدُلُّكُمْ عَلٰٓى اَهْلِ بَیْتٍ یَكْفُلُونَهُ لَكُمْ وَهُمْ لَهُ نَاصِحُونَ
En Wij hebben hem daarvóór zoogmoeders verboden. En zij (zijn zuster) zei (tegen de familie van Fir'aun): "Zal ik jullie een huisgezin wijzen dat hem voor jullie zal verzorgen en hem opvoeden
Siregar
فَرَدَدْنَاهُ اِلٰٓى اُمِّهٖ كَیْ تَقَرَّ عَیْنُهَا وَلَا تَحْزَنَ وَلِتَعْلَمَ اَنَّ وَعْدَ اللّٰهِ حَقٌّ وَلٰكِنَّ اَكْثَرَهُمْ لَا یَعْلَمُونَࣖ
Toen deden Wij hem tot zijn moeder terugkeren, opdat haar oog verkoeld werd en zij niet bedroefd was, en opdat zij wist dat de belofte van Allah waar is. Maar de meesten van hen weten niet
Siregar