Mushafim

7. Al-A'raf

الْاَعْرَافِ

قَالُٓوا اٰمَنَّا بِرَبِّ الْعَالَمٖینَۙ

Zij zeiden: "Wij geloven in de Heer der Werelden

Siregar

رَبِّ مُوسٰى وَهٰرُونَ

De Heer van Môesa en Hârôen

Siregar

قَالَ فِرْعَوْنُ اٰمَنْتُمْ بِهٖ قَبْلَ اَنْ اٰذَنَ لَكُمْۚ اِنَّ هٰذَا لَمَكْرٌ مَكَرْتُمُوهُ فِی الْمَدٖینَةِ لِتُخْرِجُوا مِنْهَٓا اَهْلَهَاۚ فَسَوْفَ تَعْلَمُونَ

Fir'aun zei: "Geloven jullie hem vóór dat ik jullie toestemming heb gegeven? Voorwaar, dit is zeker een list die jullie beraamd hebben in de stad om de inwoners ervan te verdrijven. Maar straks zullen jullie weten (wat de gevolgen van jullie daden zijn)

Siregar

لَاُقَطِّعَنَّ اَیْدِیَكُمْ وَاَرْجُلَكُمْ مِنْ خِلَافٍ ثُمَّ لَاُصَلِّبَنَّكُمْ اَجْمَعٖینَ

Ik zal zeker jullie handen en voeten kruiselings afhouwen en vervolgens zal ik jullie zeker allen kruisigen

Siregar

قَالُٓوا اِنَّٓا اِلٰى رَبِّنَا مُنْقَلِبُونَۚ

Zij (de voormalige tovenaars) zelden: "Voorwaar, tot onze Heer keren wij terug

Siregar

وَمَا تَنْقِمُ مِنَّٓا اِلَّٓا اَنْ اٰمَنَّا بِاٰیَاتِ رَبِّنَا لَمَّا جَٓاءَتْنَاؕ رَبَّنَٓا اَفْرِغْ عَلَیْنَا صَبْرًا وَتَوَفَّنَا مُسْلِمٖینَࣖ

En jij neemt slechts wraak op ons, omdat wij in de Tekenen van onze Heer geloofden toen deze tot ons kwamen. Onze Heer, schenk ons geduld en doe ons sterven als mensen die zich (aan U) hebben overgegeven

Siregar

وَقَالَ الْمَلَاُ مِنْ قَوْمِ فِرْعَوْنَ اَتَذَرُ مُوسٰى وَقَوْمَهُ لِیُفْسِدُوا فِی الْاَرْضِ وَیَذَرَكَ وَاٰلِهَتَكَؕ قَالَ سَنُقَتِّلُ اَبْنَٓاءَهُمْ وَنَسْتَحْيٖ نِسَٓاءَهُمْۚ وَاِنَّا فَوْقَهُمْ قَاهِرُونَ

En de vooraanstaanden van het volk van Fir'aun zeiden: "Laat u Môesa en zijn volk verderf op aarde zaaien en u en uw goden verlaten?" Hij zei: "Wij zullen hun zonen doden en hun dochters in leven laten: en voorwaar, wij zijn oppermachtig over hen

Siregar

قَالَ مُوسٰى لِقَوْمِهِ اسْتَعٖینُوا بِاللّٰهِ وَاصْبِرُواۚ اِنَّ الْاَرْضَ لِلّٰهِۚ یُورِثُهَا مَنْ یَشَٓاءُ مِنْ عِبَادِهٖؕ وَالْعَاقِبَةُ لِلْمُتَّقٖینَ

Môesa zei tot zijn volk: "Smeekt Allah om hulp en weest geduldig. Voorwaar, de aarde behoort aan Allah, Hij doet haar erven aan wie Hij wil van zijn dienaren. En de (goede) einde behoort aan de Moettaqôen

Siregar

قَالُٓوا اُو𐻿ذٖینَا مِنْ قَبْلِ اَنْ تَاْتِیَنَا وَمِنْ بَعْدِ مَا جِئْتَنَاؕ قَالَ عَسٰى رَبُّكُمْ اَنْ یُهْلِكَ عَدُوَّكُمْ وَیَسْتَخْلِفَكُمْ فِی الْاَرْضِ فَیَنْظُرَ كَیْفَ تَعْمَلُونَࣖ

Zij zeiden: "Wij werden gekweld vóór dat jij (Môesa) tot ons kwam en nadat jij tot ons bent gekomen." Hij zei: "Hopelijk zal jullie Heer jullie vijanden vernietigen en jullie als opvolgers aanstellen op de aarde, opdat Hij zal aanschouwen hoe jullie handelen

Siregar

وَلَقَدْ اَخَذْنَٓا اٰلَ فِرْعَوْنَ بِالسِّنٖینَ وَنَقْصٍ مِنَ الثَّمَرَاتِ لَعَلَّهُمْ یَذَّكَّرُونَ

En voorzeker grepen Wij het volk van Fir'aun met jaren (van hongersnood) en tekorten aan oogstopbrengsten. Hopelijk zullen zij zich laten vermanen

Siregar

0:00
0:00