Mushafim

12. Yusuf

يُوسُفَ

وَمَٓا اُبَرِّئُ نَفْسٖیۚ اِنَّ النَّفْسَ لَاَمَّارَةٌ بِالسُّٓوءِ اِلَّا مَا رَحِمَ رَبّٖیؕ اِنَّ رَبّٖی غَفُورٌ رَحٖیمٌ

Ik verklaar dat ikzelf niet onschuldig ben. Voorwaar, de ziel spoort aan tot het kwade, behalve bij wie door mijn Heer benigd is. Voorwaar, mijn Heer is Vergevensgezind, Meest Barmhartig

Siregar

وَقَالَ الْمَلِكُ ائْتُونٖی بِهٖٓ اَسْتَخْلِصْهُ لِنَفْسٖیۚ فَلَمَّا كَلَّمَهُ قَالَ اِنَّكَ الْیَوْمَ لَدَیْنَا مَكٖینٌ اَمٖینٌ

rui de koning zei: "Brengt hem bij mij, ik maak hem tot mijn vertrouweling. En toen hij tot hem sprak, zei hij: "Voorwaar, vandaag ben jij aan onze zijde een geëerde en betrouwbare

Siregar

قَالَ اجْعَلْنٖی عَلٰى خَزَٓائِنِ الْاَرْضِۚ اِنّٖی حَفٖیظٌ عَلٖیمٌ

Hij zei: "Maak mij (beheerder) over de schatten van het land. Voorwaar, ik ben een kundige beheerder

Siregar

وَكَذٰلِكَ مَكَّنَّا لِیُوسُفَ فِی الْاَرْضِۚ یَتَبَوَّاُ مِنْهَا حَیْثُ یَشَٓاءُؕ نُصٖیبُ بِرَحْمَتِنَا مَنْ نَشَٓاءُ وَلَا نُضٖیعُ اَجْرَ الْمُحْسِنٖینَ

En zo gaven Wij Yôesoef een machtige positie in het land, hij vedigde zich daarin zoals hij wilde. Wij geven onze Barmhartigheid aan wie Wij willen, Wij doen de beloning van de weldoeners niet verloren gaan

Siregar

وَلَاَجْرُ الْاٰخِرَةِ خَیْرٌ لِلَّذٖینَ اٰمَنُوا وَكَانُوا یَتَّقُونَࣖ

En de beloning van het Hiernamaals is zeker beter voor degenen die geloofden en (Allah) vreesden

Siregar

وَجَٓاءَ اِخْوَةُ یُوسُفَ فَدَخَلُوا عَلَیْهِ فَعَرَفَهُمْ وَهُمْ لَهُ مُنْكِرُونَ

En de broeders van Yôesoef kwamen en zij traden bij hem binnen. Toen herkende hij hen, terwijl zij hem niet herkenden

Siregar

وَلَمَّا جَهَّزَهُمْ بِجَهَازِهِمْ قَالَ ائْتُونٖی بِاَخٍ لَكُمْ مِنْ اَبٖیكُمْۚ اَلَا تَرَوْنَ اَنّٖٓی اُو𐻿فِی الْكَیْلَ وَاَنَا𐻾 خَیْرُ الْمُنْزِلٖینَ

En toen hij hen had voorzien van proviand, zei hij: "Brengt mij jullie broeder van jullie vaders kant (Benyamin). Zien jullie niet dat ik de volle maat geef, en dat ik de beste van de gastheren ben

Siregar

فَاِنْ لَمْ تَاْتُونٖی بِهٖ فَلَا كَیْلَ لَكُمْ عِنْدٖی وَلَا تَقْرَبُونِ

Als jullie hem niet bij mij brengen, krijgen jullie geen maat (graan) meer en benadert mij (dan) niet meer

Siregar

قَالُوا سَنُرَاوِدُ عَنْهُ اَبَاهُ وَاِنَّا لَفَاعِلُونَ

Zij zeiden: "Wij zullen proberen om zijn vader over te halen om hem mee te laten komen. Voorwaar, wij zullen het zeker doen

Siregar

وَقَالَ لِفِتْیَانِهِ اجْعَلُوا بِضَاعَتَهُمْ فٖی رِحَالِهِمْ لَعَلَّهُمْ یَعْرِفُونَهَٓا اِذَا انْقَلَبُٓوا اِلٰٓى اَهْلِهِمْ لَعَلَّهُمْ یَرْجِعُونَ

Hij (Yôesoef) zei tegen zijn gezel: "Stop hun ruilmiddelen in hun proviandzakken, zodat zij het kunnen ontdekken als zij terugkeren tot hun familie. Hopelijk zullen zij terugkeren

Siregar

فَلَمَّا رَجَعُٓوا اِلٰٓى اَبٖیهِمْ قَالُوا یَٓا اَبَانَا مُنِـعَ مِنَّا الْكَیْلُ فَاَرْسِلْ مَعَنَٓا اَخَانَا نَكْتَلْ وَاِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ

Toen zij bij hun vader terugkeerden, zeiden zij: "O onze vader, het graan wordt ons onthouden, laat onze broeder met ons mee gaan, zodat wij graan krijgen. En voorwaar, wij zullen zeker over hem waken

Siregar

0:00
0:00