اَفَسِحْرٌ هٰذَٓا اَمْ اَنْتُمْ لَا تُبْصِرُونَ
Is dit dan toverij? Of kunnen jullie niet zien
Siregar
الطُّورِ
اَفَسِحْرٌ هٰذَٓا اَمْ اَنْتُمْ لَا تُبْصِرُونَ
Is dit dan toverij? Of kunnen jullie niet zien
Siregar
اِصْلَوْهَا فَاصْبِرُٓوا اَوْ لَا تَصْبِرُواۚ سَوَٓاءٌ عَلَیْكُمْؕ اِنَّمَا تُجْزَوْنَ مَا كُنْتُمْ تَعْمَلُونَ
Gaat haar binnen en weest geduldig of weest ongeduldig; het zal voor jullie niets uitmaken. Voorwaar, jullie worden slechts vergolden naar wat jullie plachten te verrichtten
Siregar
اِنَّ الْمُتَّقٖینَ فٖی جَنَّاتٍ وَنَعٖیمٍۙ
Voorwaar, de Moettaqôen bevinden zich in Tuinen (het Paradijs) en in genietingen
Siregar
فَاكِهٖینَ بِمَٓا اٰتٰیهُمْ رَبُّهُمْۚ وَوَقٰیهُمْ رَبُّهُمْ عَذَابَ الْجَحٖیمِ
Zich verheugend over wat hun Heer hun heeft gegeven. En hun Heer heeft hen behoed voor de straf van de Hel
Siregar
كُلُوا وَاشْرَبُوا هَنٖٓیـًٔا بِمَا كُنْتُمْ تَعْمَلُونَۙ
(Er wordt gezegd:) "Eet en drinkt smakelijk wegens wat jullie plachten te verrichten
Siregar
مُتَّكِــٖٔینَ عَلٰى سُرُرٍ مَصْفُوفَةٍۚ وَزَوَّجْنَاهُمْ بِحُورٍ عٖینٍ
Leunend op rustbanken, tegenover elkaar. En Wij zullen hen huwen met schone maagden
Siregar
وَالَّذٖینَ اٰمَنُوا وَاتَّبَعَتْهُمْ ذُرِّیَّتُهُمْ بِاٖیمَانٍ اَلْحَقْنَا بِهِمْ ذُرِّیَّتَهُمْ وَمَٓا اَلَتْنَاهُمْ مِنْ عَمَلِهِمْ مِنْ شَیْءٍؕ كُلُّ امْرِئٍ بِمَا كَسَبَ رَهٖینٌ
En degenen die geloven en die in het geloof gevolgd worden door hun nakomelingen: Wij voegen hun nakomelingen bij hen en Wij verminderen (de beloning voor) hun daden niet. Ieder mens staat borg voor wat hij verrichtte
Siregar
وَاَمْدَدْنَاهُمْ بِفَاكِهَةٍ وَلَحْمٍ مِمَّا یَشْتَهُونَ
En Wij geven hun vruchten en vlees, van welke soort zij wensen
Siregar
یَتَنَازَعُونَ فٖیهَا كَاْسًا لَا لَغْوٌ فٖیهَا وَلَا تَاْثٖیمٌ
Zij reiken daar elkaar een beker aan waarbij geen onzin en geen zondigheid is
Siregar
وَیَطُوفُ عَلَیْهِمْ غِلْمَانٌ لَهُمْ كَاَنَّهُمْ لُؤْلُؤٌ𐻾 مَكْنُونٌ
En onder hen gaan jongelingen rond die lijken op welbewaarde parels
Siregar
وَاَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلٰى بَعْضٍ یَتَسَٓاءَلُونَ
Zij zullen zich tot elkaar wenden en elkaar vragen stellen
Siregar
قَالُٓوا اِنَّا كُنَّا قَبْلُ فٖٓی اَهْلِنَا مُشْفِقٖینَ
Zij zeggen: "Voorwaar, wij waren vroeger temidden van onze verwanten bevreesd (voor Allah)
Siregar
فَمَنَّ اللّٰهُ عَلَیْنَا وَوَقٰینَا عَذَابَ السَّمُومِ
Allah begenadigde ons toen en Hij behoedde ons voor de bestraffing van de verschroeiende wind
Siregar
اِنَّا كُنَّا مِنْ قَبْلُ نَدْعُوهُؕ اِنَّهُ هُوَ الْبَرُّ الرَّحٖیمُࣖ
Voorwaar, Wij plachten Hem vroeger aan te roepen: voorwaar, Hij is de Weldoener, de Meest Barmhartige
Siregar
فَذَكِّرْ فَمَٓا اَنْتَ بِنِعْمَتِ رَبِّكَ بِكَاهِنٍ وَلَا مَجْنُونٍؕ
Vermaan daarom, jij bent door de Genade van jouw Heer geen waarzegger en geen bezetene
Siregar
اَمْ یَقُولُونَ شَاعِرٌ نَتَرَبَّصُ بِهٖ رَیْبَ الْمَنُونِ
Of zeggen zij: "Een dichter, wij wachten af of het noodlot hem met ongeluk zal treffen
Siregar
قُلْ تَرَبَّصُوا فَاِنّٖی مَعَكُمْ مِنَ الْمُتَرَبِّصٖینَؕ
Zeg (O Moehammad): "Wacht maar af: voorwaar, Ik behoor met jullie tot de afwachtenden
Siregar