وَالسَّمَٓاءِ ذَاتِ الْحُبُكِۙ
Bij de hemel met zijn banen (van sterren en planeten)
Siregar
الذَّارِيَاتِ
وَالسَّمَٓاءِ ذَاتِ الْحُبُكِۙ
Bij de hemel met zijn banen (van sterren en planeten)
Siregar
اِنَّكُمْ لَفٖی قَوْلٍ مُخْتَلِفٍۙ
Voorwaar, jullie standpunt (tegenover de Profeet en de Koran) wisselt
Siregar
یُؤْفَكُ عَنْهُ مَنْ اُفِكَؕ
Degene die ervan afgewend wordt, die wordt belogen
Siregar
قُتِلَ الْخَرَّاصُونَۙ
Verdoemd zijn de leugenaars
Siregar
اَلَّذٖینَ هُمْ فٖی غَمْرَةٍ سَاهُونَۙ
Degenen die in achteloosheid verkeren
Siregar
یَسْـَٔلُونَ اَیَّانَ یَوْمُ الدّٖینِؕ
Zij vragen: "Wanneer is de Dag van de Opstanding
Siregar
یَوْمَ هُمْ عَلَى النَّارِ یُفْتَنُونَ
Op die Dag zullen zij in de Hel verbrand worden
Siregar
ذُوقُوا فِتْنَتَكُمْؕ هٰذَا الَّذٖی كُنْتُمْ بِهٖ تَسْتَعْجِلُونَ
(De bewaker van de Hel zegt:) "Proeft jullie bestraffing. Dit is waar jullie de bespoediging van vroegen
Siregar
اِنَّ الْمُتَّقٖینَ فٖی جَنَّاتٍ وَعُیُونٍۙ
Voorwaar, de Moettaqôen verblijven in Tuinen en bij bronnen (in het Paradijs)
Siregar
اٰخِذٖینَ مَٓا اٰتٰیهُمْ رَبُّهُمْؕ اِنَّهُمْ كَانُوا قَبْلَ ذٰلِكَ مُحْسِنٖینَؕ
Zij nemen wat hun Heer hun geeft. Voorwaar, zij behoorden voorheen tot de weldoeners
Siregar
كَانُوا قَلٖیلًا مِنَ الَّیْلِ مَا یَهْجَعُونَ
Zij plachten gedurende de nacht weinig te slapen
Siregar
وَبِالْاَسْحَارِ هُمْ یَسْتَغْفِرُونَ
En in de laatste uren van de nacht smeekten zij om vergeving
Siregar
وَفٖٓی اَمْوَالِهِمْ حَقٌّ لِلسَّٓائِلِ وَالْمَحْرُومِ
En van hun bezittingen was een rechtmatig deel voor de bedelaar en voor degene die zich weerhield van bedelen
Siregar
وَفِی الْاَرْضِ اٰیَاتٌ لِلْمُوقِنٖینَۙ
En op de aarde zijn Tekens voor de overtuigden
Siregar
وَفٖٓی اَنْفُسِكُمْؕ اَفَلَا تُبْصِرُونَ
En ook in jullie zelf, zien jullie dan niet
Siregar
وَفِی السَّمَٓاءِ رِزْقُكُمْ وَمَا تُوعَدُونَ
En in de hemel is jullie voorziening, en wat jullie is beloofd
Siregar
فَوَرَبِّ السَّمَٓاءِ وَالْاَرْضِ اِنَّهُ لَحَقٌّ مِثْلَ مَٓا اَنَّكُمْ تَنْطِقُونَࣖ
Bij de Heer van de hemel en de aarde: voorwaar, het is zeker waar, zo waar als (het feit) dat jullie spreken
Siregar
هَلْ اَتٰیكَ حَدٖیثُ ضَیْفِ اِبْرٰهٖیمَ الْمُكْرَمٖینَۘ
Heeft de geschiedenis van de geëerde gasten van Ibrahîm jou bereikt
Siregar
اِذْ دَخَلُوا عَلَیْهِ فَقَالُوا سَلَامًاؕ قَالَ سَلَامٌۚ قَوْمٌ مُنْكَرُونَ
Toen zij bij hem kwamen, zeiden zij: "Vrede!" Hij zei: "Vrede!", (en hij dacht bij zichzelf:) "Onbekend volk
Siregar
فَرَاغَ اِلٰٓى اَهْلِهٖ فَجَٓاءَ بِعِجْلٍ سَمٖینٍۙ
Hij ging toen vlug naar zijn familie en bracht een geroosterd kalf
Siregar
فَقَرَّبَهُٓ اِلَیْهِمْ قَالَ اَلَا تَاْكُلُونَؗ
Hij plaatste het daarop vóór hen, en zei: "Eten jullie het niet
Siregar
فَاَوْجَسَ مِنْهُمْ خٖیفَةًؕ قَالُوا لَا تَخَفْؕ وَبَشَّرُوهُ بِغُلَامٍ عَلٖیمٍ
(Maar zij wilden niet eten.) Toen voelde hij angst voor hen. Zij zeiden: "Wees niet bang." En zij verkondigden hem de verheugende tijding over (de geboorte van) een verstandige jongeling (Ishâq)
Siregar
فَاَقْبَلَتِ امْرَاَتُهُ فٖی صَرَّةٍ فَصَكَّتْ وَجْهَهَا وَقَالَتْ عَجُوزٌ عَقٖیمٌ
Zijn vrouw kwam schreeuwend naar voren, en zij sloeg zich in haar gezicht, en zei: "Ik ben een oude, onvruchtbare vrouw
Siregar
قَالُوا كَذٰلِكِۙ قَالَ رَبُّكِؕ اِنَّهُ هُوَ الْحَكٖیمُ الْعَلٖیمُ
Zij zeiden: "Zo heeft jouw Heer gesproken: voorwaar, Hij is de Alwijze, de Alwetende
Siregar