51. Adh-Dhariyat

الذَّارِيَاتِ

وَالسَّمَٓاءِ ذَاتِ الْحُبُكِۙ

Bij de hemel met zijn banen (van sterren en planeten)

Siregar

اِنَّكُمْ لَفٖی قَوْلٍ مُخْتَلِفٍۙ

Voorwaar, jullie standpunt (tegenover de Profeet en de Koran) wisselt

Siregar

یُؤْفَكُ عَنْهُ مَنْ اُفِكَؕ

Degene die ervan afgewend wordt, die wordt belogen

Siregar

قُتِلَ الْخَرَّاصُونَۙ

Verdoemd zijn de leugenaars

Siregar

اَلَّذٖینَ هُمْ فٖی غَمْرَةٍ سَاهُونَۙ

Degenen die in achteloosheid verkeren

Siregar

یَسْـَٔلُونَ اَیَّانَ یَوْمُ الدّٖینِؕ

Zij vragen: "Wanneer is de Dag van de Opstanding

Siregar

یَوْمَ هُمْ عَلَى النَّارِ یُفْتَنُونَ

Op die Dag zullen zij in de Hel verbrand worden

Siregar

ذُوقُوا فِتْنَتَكُمْؕ هٰذَا الَّذٖی كُنْتُمْ بِهٖ تَسْتَعْجِلُونَ

(De bewaker van de Hel zegt:) "Proeft jullie bestraffing. Dit is waar jullie de bespoediging van vroegen

Siregar

اِنَّ الْمُتَّقٖینَ فٖی جَنَّاتٍ وَعُیُونٍۙ

Voorwaar, de Moettaqôen verblijven in Tuinen en bij bronnen (in het Paradijs)

Siregar

اٰخِذٖینَ مَٓا اٰتٰیهُمْ رَبُّهُمْؕ اِنَّهُمْ كَانُوا قَبْلَ ذٰلِكَ مُحْسِنٖینَؕ

Zij nemen wat hun Heer hun geeft. Voorwaar, zij behoorden voorheen tot de weldoeners

Siregar

كَانُوا قَلٖیلًا مِنَ الَّیْلِ مَا یَهْجَعُونَ

Zij plachten gedurende de nacht weinig te slapen

Siregar

وَبِالْاَسْحَارِ هُمْ یَسْتَغْفِرُونَ

En in de laatste uren van de nacht smeekten zij om vergeving

Siregar

وَفٖٓی اَمْوَالِهِمْ حَقٌّ لِلسَّٓائِلِ وَالْمَحْرُومِ

En van hun bezittingen was een rechtmatig deel voor de bedelaar en voor degene die zich weerhield van bedelen

Siregar

وَفِی الْاَرْضِ اٰیَاتٌ لِلْمُوقِنٖینَۙ

En op de aarde zijn Tekens voor de overtuigden

Siregar

وَفٖٓی اَنْفُسِكُمْؕ اَفَلَا تُبْصِرُونَ

En ook in jullie zelf, zien jullie dan niet

Siregar

وَفِی السَّمَٓاءِ رِزْقُكُمْ وَمَا تُوعَدُونَ

En in de hemel is jullie voorziening, en wat jullie is beloofd

Siregar

فَوَرَبِّ السَّمَٓاءِ وَالْاَرْضِ اِنَّهُ لَحَقٌّ مِثْلَ مَٓا اَنَّكُمْ تَنْطِقُونَࣖ

Bij de Heer van de hemel en de aarde: voorwaar, het is zeker waar, zo waar als (het feit) dat jullie spreken

Siregar

هَلْ اَتٰیكَ حَدٖیثُ ضَیْفِ اِبْرٰهٖیمَ الْمُكْرَمٖینَۘ

Heeft de geschiedenis van de geëerde gasten van Ibrahîm jou bereikt

Siregar

اِذْ دَخَلُوا عَلَیْهِ فَقَالُوا سَلَامًاؕ قَالَ سَلَامٌۚ قَوْمٌ مُنْكَرُونَ

Toen zij bij hem kwamen, zeiden zij: "Vrede!" Hij zei: "Vrede!", (en hij dacht bij zichzelf:) "Onbekend volk

Siregar

فَرَاغَ اِلٰٓى اَهْلِهٖ فَجَٓاءَ بِعِجْلٍ سَمٖینٍۙ

Hij ging toen vlug naar zijn familie en bracht een geroosterd kalf

Siregar

فَقَرَّبَهُٓ اِلَیْهِمْ قَالَ اَلَا تَاْكُلُونَؗ

Hij plaatste het daarop vóór hen, en zei: "Eten jullie het niet

Siregar

فَاَوْجَسَ مِنْهُمْ خٖیفَةًؕ قَالُوا لَا تَخَفْؕ وَبَشَّرُوهُ بِغُلَامٍ عَلٖیمٍ

(Maar zij wilden niet eten.) Toen voelde hij angst voor hen. Zij zeiden: "Wees niet bang." En zij verkondigden hem de verheugende tijding over (de geboorte van) een verstandige jongeling (Ishâq)

Siregar

فَاَقْبَلَتِ امْرَاَتُهُ فٖی صَرَّةٍ فَصَكَّتْ وَجْهَهَا وَقَالَتْ عَجُوزٌ عَقٖیمٌ

Zijn vrouw kwam schreeuwend naar voren, en zij sloeg zich in haar gezicht, en zei: "Ik ben een oude, onvruchtbare vrouw

Siregar

قَالُوا كَذٰلِكِۙ قَالَ رَبُّكِؕ اِنَّهُ هُوَ الْحَكٖیمُ الْعَلٖیمُ

Zij zeiden: "Zo heeft jouw Heer gesproken: voorwaar, Hij is de Alwijze, de Alwetende

Siregar

0:00
0:00