11. Hud

هُودٍ

اُو𐻾لٰٓئِكَ لَمْ یَكُونُوا مُعْجِزٖینَ فِی الْاَرْضِ وَمَا كَانَ لَهُمْ مِنْ دُونِ اللّٰهِ مِنْ اَوْلِیَٓاءَۘ یُضَاعَفُ لَهُمُ الْعَذَابُؕ مَا كَانُوا یَسْتَطٖیعُونَ السَّمْعَ وَمَا كَانُوا یُبْصِرُونَ

Zij zijn degenen die niet in staat zijm (om de bestraffing) in deze wereld te ontvluchten. En er zijn voor hen geen beschermers, en de bestraffing wordt voor hen vermeerderd. Zij waren niet in staat om te horen en zij waren niet in staat om te zien

Siregar

اُو𐻾لٰٓئِكَ الَّذٖینَ خَسِرُٓوا اَنْفُسَهُمْ وَضَلَّ عَنْهُمْ مَا كَانُوا یَفْتَرُونَ

Zij zijn degenen die zichzelf verlies hebben toegebracht, en wat zij plachten te verzinnen is van heil weggegaan

Siregar

لَا جَرَمَ اَنَّهُمْ فِی الْاٰخِرَةِ هُمُ الْاَخْسَرُونَ

Het is zeker zo dat ziij in het Hiernamaals de verliezers zijn

Siregar

اِنَّ الَّذٖینَ اٰمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَاَخْبَتُٓوا اِلٰى رَبِّهِمْۙ اُو𐻾لٰٓئِكَ اَصْحَابُ الْجَنَّةِۚ هُمْ فٖیهَا خَالِدُونَ

Voorwaar, degenen die geloven en goede werken verrichten, en die zich verootmoodigen bij hun Heer: zij zijn degenen die de bewoners van het Paradijs zijn, zij zijn daarin eeuwig levenden

Siregar

مَثَلُ الْفَرٖیقَیْنِ كَالْاَعْمٰى وَالْاَصَمِّ وَالْبَصٖیرِ وَالسَّمٖیعِؕ هَلْ یَسْتَوِیَانِ مَثَلًاؕ اَفَلَا تَذَكَّرُونَࣖ

De gelijkenis tussen de twee groepen is als die tussen de blinden en de doven (van hart) en de zienden en de horenden: zijn zij gelijk? Trekken jullie er dan geen lering uit

Siregar

وَلَقَدْ اَرْسَلْنَا نُوحًا اِلٰى قَوْمِهٖؗ اِنّٖی لَكُمْ نَذٖیرٌ مُبٖینٌۙ

En voorzeker, Wij zonden Nôeh tot zijn volk. (Hij zei:) "Voorwaar, ik hen voor jullie een duidelijke waarschuwer

Siregar

اَنْ لَا تَعْبُدُٓوا اِلَّا اللّٰهَؕ اِنّٖٓی اَخَافُ عَلَیْكُمْ عَذَابَ یَوْمٍ اَلٖیمٍ

Opdat jullie slechts Allah aanbidden. Voorwaar, ik vrees voor jullie de bestraffing op een pijnlijke Dag

Siregar

فَقَالَ الْمَلَاُ الَّذٖینَ كَفَرُوا مِنْ قَوْمِهٖ مَا نَرٰیكَ اِلَّا بَشَرًا مِثْلَنَا وَمَا نَرٰیكَ اتَّبَعَكَ اِلَّا الَّذٖینَ هُمْ اَرَاذِلُنَا بَادِیَ الرَّاْیِۚ وَمَا نَرٰى لَكُمْ عَلَیْنَا مِنْ فَضْلٍ بَلْ نَظُنُّكُمْ كَاذِبٖینَ

En de vooraanstaanden van zijn volk, die ongelovig waren, zeiden: "Wij zien dat jij slechts een mens zoals wij bent. En wij zien dat niemand jou volgt, behalve degenen die de laagsten zijn onder ons, die simpel zijn. En wij zien dat jullie geen voordeel boven ons hebben. Wij zijn er zelfs van overtuigd dat jullie leugenaars zijn

Siregar

قَالَ یَا قَوْمِ اَرَاَیْتُمْ اِنْ كُنْتُ عَلٰى بَیِّنَةٍ مِنْ رَبّٖی وَاٰتٰینٖی رَحْمَةً مِنْ عِنْدِهٖ فَعُمِّیَتْ عَلَیْكُمْؕ اَنُلْزِمُكُمُوهَا وَاَنْتُمْ لَهَا كَارِهُونَ

Hij zei: "O mijn volk, wat denken jullie? Als ik steun op een duidelijk bewijs van mijn Heer en Hij heeft mij Barmhartigheid geschonken van Zijn Zijde, die voor jullie verborgen is: zouden wij het jullie opdringen, terwijl jullie er een afkeer van hebben

Siregar

0:00
0:00